Chat with us, powered by LiveChat

Module. Profielkeuze

Waar gaat het over?

 

Je zit nu in het tweede leerjaar van het vmbo. Dit is een belangrijk schooljaar. Waarom? In deze klas maak je belangrijke keuzes die te maken hebben met je toekomst.

In dit leerjaar leer je dingen die te maken hebben met je toekomst. Je kiest ….

 

1. Een leerweg. Dat is een niveau.

Bijvoorbeeld: wordt het vmbo BBL (Basis beroepsgerichte leerweg), KBL (kader beroepsgerichte leerweg), GL (Gemengde leerweg) of TL (Theoretische leerweg).

 

2. Een profiel (en sectoren)

Een profiel geeft je informatie over een richting, een baan of een vervolgopleiding. Dat gaat dus over je kwaliteiten, mogelijkheden en wensen. Dat gebeurt op basis van loopbaanvragen. Deze vragen komen één voor één terug in de lessen.

 

3. Hulp van school

  • LOB

Dat staat voor Loopbaan, Oriëntatie en Begeleiding.

  • De Decaan.

Dat is een docent die de LOB-lessen geeft.

  • LOB-taken

Dat zijn opdrachten die je helpen een keuze te maken die bij jou past.

Dan heb je nog:

  • Het loopbaan dossier 

Daarin worden alle documenten die iets zeggen over je loopbaan, bewaard

 

 

INLEIDING

 

Je zit nu in het tweede leerjaar van het vmbo. Dit is een belangrijk schooljaar. Waarom? In deze klas maak je keuzes die te maken hebben met je toekomst.

  • Wat leer je in de bovenbouw?
  • Welke vervolgopleiding ga je eventueel volgen
  • Voor welk beroep kies je?

 

Leerweg

Dit schooljaar krijg je te horen welke leerweg je vanaf de derde klas gaat volgen. De leerweg kies je niet zelf, die kiest de school.

Het vmbo kent vier leerwegen:

  1. Basis Beroepsgerichte Leerweg
  2. Kader Beroepsgerichte leerweg
  3. Gemengde Leerweg
  4. Theoretische Leerweg

 

Wat zijn de verschillen?

De verschillen zijn eigenlijk niet zo heel groot. Het eerste verschil is het verschil tussen ‘leren’ en ‘doen’. Bij de eerste twee leerwegen ligt de nadruk op doen. Bij de laatste twee meer op leren. Bij leren gaat het over informatie uit boeken leren en onthouden. Bij doen ben je vooral bezig. Je maakt, repareert, verzorgt, helpt.

Een voorbeeld: je wil graag leraar worden. In dat geval moet je eerst nog een aantal jaren doorleren, voordat je aan het werk kan. Of je wilt automonteur worden. Dan kun je meteen aan de slag en leer je tijdens je werk hoe je het moet doen. Een bijkomend voordeel is dat je dan ook direct al geld verdient.

Samenvattend: bij de basisberoepsgerichte leerweg ligt de nadruk op doen (werken in de praktijk), terwijl bij de theoretische leerweg de nadruk meer ligt op leren.

Misverstand: veel mensen denken dat als je op het vmbo zit, je altijd een slecht betaalde baan krijgt. Dat is lang niet altijd waar! Als veel mensen een beroep willen, is het salaris voor dat beroep lager. Maar als maar weinig mensen het beroep willen, is het salaris voor dat beroep juist hoger. Het gaat er ook om hoe hard er mensen nodig zijn. Hoe meer mensen er voor een beroep nodig zijn, hoe hoger het salaris.

Bijvoorbeeld automonteurs, loodgieters of metselaars hebben we hard nodig. Dat betekent dat je daarmee een goed salaris kan verdienen. Dat ligt soms zelfs hoger dan wat mensen met TL verdienen.

De keuze voor een leerweg maak je (meestal) niet zelf. Die keuze maakt de school voor je. Dat doet de school op basis van je resultaten. Welke cijfers staan op je rapport? Des te hoger je cijfers hoe groter de kans dat je vmbo tl kunt krijgen.

 

Leerweg

 

Dit schooljaar krijg je te horen welke leerweg je vanaf de derde klas gaat volgen.

 

Het vmbo kent vier leerwegen:

  1. Basis Beroepsgerichte leerweg (BBL)
  2. Kader Beroepsgerichte leerweg (KBL)
  3. Gemengde leerweg (GL)
  4. Theoretische leerweg (TL)

 

Wat zijn de verschillen?

De verschillen zijn eigenlijk niet zo heel groot. Het eerste verschil is het verschil tussen ‘leren’ en ‘doen’. Bij de eerste twee leerwegen ligt de nadruk op doen. Bij de laatste twee meer op leren. Bij leren gaat het over informatie uit boeken leren en onthouden. Bij doen ben je vooral bezig. Je maakt, repareert, verzorgt, helpt.

Een voorbeeld: je wil graag leraar worden. In dat geval moet je eerst nog een aantal jaren doorleren, voordat je aan het werk kan. Of je wilt automonteur worden. Dan kun je meteen aan de slag en leer je tijdens je werk hoe je het moet doen. Een bijkomend voordeel is dat je dan ook direct al geld verdient.

Samenvattend: bij de basisberoepsgerichte leerweg ligt de nadruk op doen (werken in de praktijk), terwijl bij de gemengde en theoretische leerweg de nadruk meer ligt op leren.

 

Misverstand:

veel mensen denken dat als je op het vmbo zit, je altijd een slecht betaalde baan krijgt. Dat is lang niet altijd waar! Als veel mensen een beroep willen, is het salaris voor dat beroep lager. Maar als maar weinig mensen het beroep willen, is het salaris voor dat beroep juist hoger. Het gaat er ook om hoe hard er mensen nodig zijn. Hoe meer mensen er voor een beroep nodig zijn, hoe hoger het salaris.

Bijvoorbeeld automonteurs, loodgieters of metselaars hebben we hard nodig. Dat betekent dat je daarmee een goed salaris kan verdienen. Dat ligt soms zelfs hoger dan wat mensen met TL verdienen.

De keuze voor een leerweg maak je (meestal) niet zelf. Die keuze maakt de school voor je. Dat doet de school op basis van je resultaten. Welke cijfers staan op je rapport? Des te hoger je cijfers, hoe groter de kans dat je vmbo tl kunt kiezen.

 

2. Profiel

 

Verder kies je een profiel. Daarmee bepaal je welke richting je qua werk (of vervolgopleiding) op gaat. Het profiel bepaalt voor een groot deel wat jij later kunt worden of welke vervolgopleidingen je kan volgen.

 

Wat is precies een profiel?

Een profiel is een kader waarbinnen jouw kwaliteiten, mogelijkheden en wensen goed passen.

Bijvoorbeeld: Stel dat je later een eigen bedrijf wil starten, dan past het profiel ‘Economie en ondernemen’ goed bij je. Maar als je graag taarten bakt, zou ‘Horeca, bakkerijen en recreatie’ misschien beter bij je passen.

 

Hoe kies je een profiel?

Je kiest een profiel op basis van vragen als;

(1) Wie ben ik?
(2) Waar ben ik goed in?
(3) Wat vind ik leuk?
(4) En wat voor werk past het beste bij me?

 

Beroepsgerichte profielen

De profielen op het vmbo zijn ingedeeld in doen en leren. ‘Doen’ gaat over met je handen werken, en ‘leren’ gaat over met je hersenen werken. De eerste twee profielen zijn 1. Basis Beroepsgerichte leerweg (BBL) en 2. Kader Beroepsgerichte leerweg (KBL). Dit noemen we ook wel beroepsgerichte profielen. Omdat leerlingen daar meestal kiezen voor beroepen waarbij je iets met je handen moet doen. Bij BBL en KBL kun je kiezen uit tien profielen.

Een ‘vaardigheid’ is iets waar je goed in bent. Bijvoorbeeld: rekenen, sporten, helpen, monteren, etc..

 

Theoretische leerwegen

Ook daar zijn er twee van: gemende leerweg en theoretische leerweg. De laatste is vooral theoretisch. Daar staat leren dus voorop. De gemengde leerweg is ook een voornamelijk theoretische leerweg, maar dat is iets meer gemend met beroepsgerichte vaardigheden.

Inhoudsopgave

 

Les 1. Waar droom ik van?

Wat is bijvoorbeeld je droombaan? Dat zegt iets over jou. Namelijk welk werk je heel graag later wilt doen.

 

Les 2. Wie ben ik?

Hoe kun je zien wie je bent? Als je dat weet, kun je kijken welk soort werk bij je past.

 

Les 3. Waar ben ik goed in?

Het is ook heel belangrijk om te weten wat je wel kan en niet. Stel dat je heel graagautocoureur wil worden, maar je kunt niet goed autorijden.

 

Les 4. Wat vind ik leuk?

Maar ook wat je graag doet is belangrijk. Stel dat je hobby is vogels spotten, dan zou dierenartsassistent misschien wel iets voor je zijn…..

 

Les 5. Wat voor beroep past bij mij?

Als je dat allemaal weet, kun je kijken welke beroepen bij jou passen.

 

Les 6. Welk profiel kies ik?

Een profiel leid je op voor een beroep (en eventueel een studie). Dus als je weet welke baan jij graag wilt, kun je kijken welk profiel daarbij past.

 

Les 7. Welk vakkenpakket past daarbij?

Als je een profiel hebt gekozen, kun je je vakkenpakket samenstellen. Op de verplichte vakken heb je geen invloed, maar wel op je keuzevakken.

 

Les 8. Ben je blij met je keuzes?

Om 100% zeker te weten dat je de juiste keuze hebt gemaakt, kijk je terug op hoe je die hebt gemaakt. Sta je daar helemaal achter?

Bijlage 1: sectoren en profielen

Bijlage 2: LOB-taken

Bijlage 3: loopbaan dossier

 

Stappenplan: hoe maak je een profielkeuze?

 

Stap 1. Wat is een droombaan

Heb jij toen je klein was ook wel eens gedroomd om brandweerman, politie of voetballer te worden. Van welk beroep droom je nu wel eens?

 

Stap 2. Vraag je af: wie ben ik?

Om een goede keuze te kunnen maken, is het wel handig als je weet wat je wil.

 

Stap 3. Vraag jen af: waar ben ik goed in?

Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je heel goed iets kan repareren, dan is Techniek misschien een goede keuze.

 

Stap 4. Vraag je af: wat vind ik leuk?

Maar misschien nog belangrijker: wat vind je leuk? Als je werkt, ben je daar tenslotte meestal wel acht uur per dag mee bezig.

 

Stap 5. Zoek uit welke beroepen daarbij horen

Om een profiel te kiezen dat goed bij je past, is het mooi als je weet wat je later wil worden.

 

Stap 6. Bepaal: welk profiel hoort bij mij

Als je al die informatie hebt verzameld, kun je een Profiel gaan kiezen. Als je twijfelt tussen twee profielen, kun je deze twee profielen combineren.

 

Stap 7. Stel je vakkenpakket samen

Als je weet welk profiel je wilt volgen, kun je je vakkenpakket gaan samenstellen

Les 1 Waar droom ik van?

 

 

Vroeger droomden we allemaal dat we later politieman zouden worden. Of brandweerman of voetballer. Hoe zit dat nu? Van welk beroep droom je nu?

Doe je ogen dicht. Droom weg. In een droom kan namelijk alles. Dan kun je bijvoorbeeld jezelf zien als chirurg. Of als autocoureur, politieagent of brandweerman. Maar ook piloot is in een droom geen probleem. Dat is het leuke van dromen…

Na deze les weet je van welk beroep je droomt.

 

 

BEKIJK DE VIDEO

 

Maak een mapje onder ‘Slim Leren’: Profielkeuze, les 1.

Bewaar de informatie uit deze les in dat mapje.

 

 

Stap 1 K

 

 

Stap 1 Kies een droombaan

 

 

Bespreek dat met de klas

Volg je hart, dat klopt altijd! Wat betekent dat? Schrijf dat in je eigen woorden in je notitieboekje. Of bewaar dat op je computer, in het mapje ‘Profielkeuze, les 1,

 

Droombaan

 

Van welk beroep heb je altijd al gedroomd? Dat beroep past waarschijnlijk goed bij je. Want daar word je gelukkig van.

Een droombaan is een baan die je later heel graag zou willen hebben. Waar denk je dan aan? Is dat dezelfde baan als je vader of moeder, of iets heel anders. Ken je iemand die zo’n baan heeft?

 

 

Opdracht 1. Wat is je droombaan?

 

Schrijf op waar een droombaan aan moet voldoen.

Bijvoorbeeld: mijn droombaan moet sowieso een leuke baan zijn. Met leuke mensen. En niet te ver weg. Zet dat in je notitieboekje of maak een mapje op je computer: ‘Profielkeuze les 2. Zo kan je het gemakkelijk terugvinden.

 

Van welk beroep heb je vroeger wel eens ‘gedroomd’?

Bijvoorbeeld: politieagent, ambulancechauffeur, wegwerker, boswachter, kok, monteur, etc.

 

Stel dat je die baan echt zou hebben, wat doe je dan de hele dag?

Bijvoorbeeld: zie je jezelf in een uniform, bestuur je een auto, werk je met een grasmaaier, ben je op een boerderij, was je bejaarden of ben je iets aan het tekenen?

 

 

Opdracht 2. Wat vind jij leuk aan een baan?

 

Schrijf 3 dingen in je notitieboekje.

Bijvoorbeeld: buitenwerken, met dieren werken, iemand helpen, iets repareren, haar knippen, dieren trainen, een uniform, overdag, etc.

 

 

 

 

 

BANEN EN BEROEPEN

 

Het werk dat je kunt doen noem je ‘een beroep’ of ‘een baan’. Kok is bijvoorbeeld een beroep, maar het is ook een baan.

Er zijn duizenden beroepen. Voor een deel zijn dat andere beroepen dan vroeger. Dat komt omdat de wereld verandert. Vroeger kenden we nog geen ICT, games, mobiele telefoons of harttransplantaties. Hoe kies je daar nu een beroep uit dat bij je past?

 

 

Opdracht 3. Wat vind jij echt belangrijk aan een baan?

 

 

Schrijf de 3 belangrijkste dingen in je boekje. 

Bijvoorbeeld: ‘vrijheid, leuke collega’s, een uniform dragen, ’s nachts werken, vroeg beginnen, dichtbij huis, buiten werken, ook als het vriest of regent, etc.

 

 

Opdracht 4. Welke beroepen passen het beste bij jou?

 

Schrijf het op een apart blaadje.

Geef die beroepen een cijfer van 1 tot en met 10. Leg uit waarom je dat beroep graag zou doen. Welk beroep staat bij jou op 1, welk op 2? Waarom vind je dat het leukste beroep? Schrijf dat in je notitieboekje.

Bijvoorbeeld: kok. Omdat ik dol ben op bakken en koken.

 

 

Dromen is leuk. Want in een droom kan alles. Maar hoe zit dat in het échte leven? Misschien ben je in je droom wel chirurg. Maar ja, om chirurg te worden moet je heel lang studeren. Daar heb je VWO voor nodig.

 

Schrijf erachter waarom je dat beroep leuk vindt.

Bijvoorbeeld: vrachtwagenchauffeur, omdat ik dan veel vrijheid heb.

 

Misschien is je droombaan niet haalbaar, maar ken je wel banen die daarmee te maken hebben. Autocoureur is misschien niet haalbaar. Maar monteur moet kunnen.

Het is super belangrijk dat de baan die je later krijgt leuk is. Je bent er ten slotte een groot deel van je leven mee bezig.

 

 

JE NETWERK

 

Je netwerk is de groep mensen die je kan helpen.

Bijvoorbeeld om je informatie te geven. Maar ook om je te helpen een goede baan te vinden. Denk aan je ouders, vrienden, familie, buren of mensen die zij weer kennen.

 

GA NAAR WWW.BEROEPENINBEELD.NL.

Daar vind je veel filmpjes over beroepen. Misschien zitten daar ook beroepen tussen war je niet aan had gedacht. Praat hierover met je netwerk. Wat vinden zij dat bij jou past? Misschien kom je nog op andere ideeën. Pas dan je beroepen aan in je boekje of op je computer..

 

 

 

 

 

 

 

 

Les 1 Wie ben ik?

 

 

Hoe kom je erachter wie je bent? Als je dat weet, kun je kijken welk soort werk bij je past. Daarover gaat deze les.

 

Na deze les weet je beter wie je bent.

 

 

TERUGKIJKEN

 

Heb je thuis besproken welke banen zij bij je vinden passen?

Hoe ging dat? Hadden ze nog goede ideeën? Schrijf die ook in je boekje.

 

 

Bekijk de video.

 

Zet eventueel interessante beroepen achter in je notitieboekje bij ‘Banen en profielen’.

Natuurlijk kan je ook een mapje op je computer maken bij Profielkeuze’, ‘Banen en profielen’.

 

Stap 2 Vraag je af: wie ben ik?

 

 

De eerste les ging over je droombaan? Deze les gaat over wie je bent; waar geloof je in, wat is je passie en welke karaktereigenschappen bezit je. Waaraan kan je dus zien wat voor type je bent? En welk beroep hoort daarbij?

Je kan ook veel over jezelf leren als je kijkt naar hoe je bent op school. Je klasgenoten hebben vast een idee wat voor type je bent. Daarover gaat deze les.

 

Wie ben ik?

Waar geloof je in? Wat zijn je karaktereigenschappen? Wat is je passie? Vragen die meehelpen een antwoord te geven op de vraag wie ben ik?  Om een goede keuze te kunnen maken, is het wel handig als je weet wat je wilt. Ja toch?

 

 

Opdracht 1. WIE BEN JE?

 

Stel jezelf voor aan de klas

Dat doe je door de onderstaande vragen te beantwoorden. Noteer je antwoorden in je notitieboekje of op je computer.

 

 

Vraag 1. Waar houd je van?

 

 

Zet dat  in je notitieboekje of op de computer in het mapje ‘Profielkeuze, les 2’

Bijvoorbeeld: ik houd van sporten, tekenen, televisiekijken, gamen.

 

 

Vraag 2. Waar woon je? En met wie?

 

Geef het antwoord op die vraag.

Bijvoorbeeld: ik woon in Almere, met mijn twee moeders, m’n zusje, drie honden, een poes en een goudvis. Nu jij!

 

 

Vraag 3. Wat zijn jouw beste karaktereigenschappen?

 

Geef het antwoord op die vraag.

Bijvoorbeeld: ik houd van sporten, tekenen, televisiekijken, gamen. Als mensen van jou zeggen dat je altijd voor anderen klaar staat, noem je dat een karaktereigenschap. Net als: hij is eerlijk, hulpvaardig, grappig, een volhouder, ijverig, lief, onhandig, etc.

 

 

Vrije tijd

 

Maar ook wat je in je vrije tijd doet, zegt soms veel over je. Zit je op een sportclub? Doe je vrijwilligerswerk? Ben je “verslaafd” aan gamen? Of zit je de hele dag te vloggen? Wat zegt dat over wie jij bent?

 

 

Opdracht 2. Wat doe je meestal na schooltijd?

 

Denk eens terug aan gisteren.

Wat heb je toen allemaal gedaan? Bespreek dat met elkaar.

 

 

WAT HEB JE GELEERD

 

 

Na deze les weet je beter wie je bent.

 

 

Challenge

 

Bereid je voor op de presentatie van jezelf.

Schrijf dat op in je boekje en laat het aan je ouders lezen. Zijn ze het met je eens?

 

 

 

Les 1 Wat kan ik?

 

 

Het is ook belangrijk om te weten wat je wel kan en wat je niet kan. Stel dat je heel graag autocoureur wil worden, maar je kunt niet zo goed autorijden…

 

Na deze les weet je beter waar je goed in bent?

 

 

TERUGKIJKEN

 

Probeer dingen te vertellen die je klasgenoten niet kennen.

Jullie zouden jezelf aan de klas presenteren.

 

 

Bekijk de video

 

Noteer je ervaringen in je boekje of op je computer.

 

Stap 3 Vraag je af: waar ben ik goed in?

 

 

Wat doe je meestal na schooltijd of in het weekend? Hoe lang ben je daarmee bezig? Wat vind je daar zo leuk aan? En wat zegt dat over jou? Bespreek het met degene die naast je zit.

 

Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je heel goed iets kan repareren, dan is Techniek misschien een goede keuze.

Waar ben jij goed in? Dat kan je helpen om het juiste beroep te vinden. Bij welk beroep past dat? Of bij welk beroep juist niet?

Bijvoorbeeld: ik kan aardappels schillen, de tuin onderhouden, tegen kietelen, schilderen, dingen uitzoeken, spelletjes spelen, goochelen, etc.

 

Wat kan je goed

 

Opdracht 1. Waar ben je goed in?

 

Kies de dingen waar je goed in bent uit het rijtje.

Je mag zelf ook bedenken waar je goed in bent. Schrijf dat in je boekje. Of in een mapje op je computer: ‘Profielkeuze, les 3’.

Geef onderstaande werkwoorden een cijfer van 1 tm 10. 10 is ‘daar ben ik heel goed in’. 1 is ‘daar ben ik totaal niet goed in.’ De laatste twee mag je zelf invullen (waar ben jij goed in?).

Ik ben (goed in)..
  1. Dingen repareren
  2. Dingen bedenken
  3. Op tijd zijn
  4. Met mijn handen werken
  5. Sporten
  6. Rekenen
  7. Gamen
  8. Koken

 

 

Vrije tijd

 

Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?

 

Vertel: wat doe je in je vrije tijd?

Dus in de tijd dat je niet op school zit. Schrijf dat in je boekje of bewaar het op je computer.

 

Een woordnet kun je gebruiken om overzicht te krijgen.

Bijvoorbeeld: In het midden zet je jouw naam. Of ‘Ik ben’. Daarom heen (cirkel) zet je alle informatie.

 

 

Passie

 

Een passie is iets wat je met hart en ziel doet. Je doet (en laat) er alles voor.

Bijvoorbeeld: muziek maken, sporten, anderen helpen, vliegtuigen spotten, etc.

 

 

Opdracht 3. Heb jij een passie?

 

Schrijf in je boekje of bewaar op je computer wat jouw passie is.

Wat zegt dat over jou?

 

Als je een passie hebt, zegt dat heel veel over jou. Omdat je daar helemaal voor gaat. Je besteedt daar veel tijd aan. Het zou mooi zijn als bij jouw passie een baan past.

Bijvoorbeeld: wielrennen, schrijven, raadsels oplossen, kruiswoordpuzzels invullen, in de tuin werken, nieuwe dingen bedenken, vliegeren, schoonmaken, etc. Als je daar je baan van zou kunnen maken, zou dat erg leuk zijn toch?

 

Opdracht 4. Hoe ziet jouw woordnet eruit?

 

Maak op een apart blaadje jouw woordnet.

Je mag het ook op je computer doen.

  1. In het middelste vakje staat ‘IK BEN’
  2. In de eerste rij daar omheen (in een cirkel) zet je 4 vakjes waarin je schrijft waarin je goed bent.
  3. In de tweede cirkel daar omheen zet je 3 vakjes. Daarin schrijf je wat je in je vrije tijd doet.

Voorbeeld: je hebt je oma geholpen toen ze ziek was, gesolliciteerd op een vakantiebaantje (je werd aangenomen), een 4 voor wiskunde opgehaald naar een 7, je bent opgekomen voor iemand die werd gepest.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                             Ik ben…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Welke beroepen passen daarbij? Schrijf die in je boekje achterin bij ‘Banen en profielen’.

 

 

WAT HEB JE GELEERD?

 

Deze les leerde je meer over jezelf. Wat heeft dat te maken met het beroep dat je straks gaat kiezen?

 

 

 

CHALLENGE

 

Bespreek je woordnet de komende week met je ouders.

Pas eventueel het vak in je profielschema voor deze les aan. De volgende les komen we daarop terug.

Les 4. Wat vind ik leuk?

 

 

Wat vind je leuk? Als je dat weet, kan je dat ook gebruiken bij het kiezen van een baan. Je zit tenslotte zo’n 36 uur in de week op je werk. Dan zou het heel vervelend zijn als je met tegenzin naar je werk gaat.

Feedback geven is tegen iemand zeggen wat je vindt van wat hij heeft gezegd of heeft gedaan. Doe dat zo dat de ander er iets aan heeft.

 

Na deze les weet je beter wat je leuk vindt aan een baan.

 

 

TERUGKIJKEN

 

De vorige les hebben we afgesproken dat jullie je woordnet zouden bespreken met je ouders. Wat is daar uitgekomen? Heb je daar nog iets aan gehad?

 

Vertel de klas wat je ouders daarover zeiden.

Heb je daar nog iets aan gehad? Schrijf het in je notitieboekje. Of in het mapje ‘Profielkeuze, les 4’ op je computer.

 

 

Bekijk de video

 

Schrijf goede tips in je notitieboekje of op je computer.

Stap 4. Vraag je af: wat vind ik leuk?

 

Wat doe je meestal na schooltijd of in het weekend? Hoe lang ben je daarmee bezig? Wat vind je daar zo leuk aan? En wat zegt dat over jou? Bespreek het met degene die naast je zit.

 

Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je heel goed iets kan repareren, dan is Techniek misschien een goede keuze.

Waar ben jij goed in? Dat kan je helpen om het juiste beroep te vinden. Bij welk beroep past dat? Of bij welk beroep juist niet?

Bijvoorbeeld: ik kan aardappels schillen, de tuin onderhouden, tegen kietelen, schilderen, dingen uitzoeken, spelletjes spelen, goochelen, etc.

 

 

Wat kan je goed

 

 

Opdracht 1 Waar ben je goed in?

 

Kies de dingen waar je goed in bent uit het rijtje.

Je mag zelf ook bedenken waar je goed in bent. Schrijf dat in je boekje. Of in een mapje op je computer: ‘Profielkeuze, les 4.

Geef onderstaande werkwoorden een cijfer van 1 tm 10. 10 is ‘daar ben ik heel goed in’. 1 is ‘daar ben ik totaal niet goed in.’ De laatste twee mag je zelf invullen (waar ben jij goed in?).

 
Ik ben (goed in)..
  1. Dingen repareren
  2. Dingen bedenken
  3. Op tijd zijn
  4. Met mijn handen werken
  5. Sporten
  6. Rekenen
  7. Gamen
  8. Koken

 

 

Vrije tijd

 

Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?

 

Vertel: wat doe je in je vrije tijd?

Dus in de tijd dat je niet op school zit.  Schrijf dat in je boekje of bewaar het op je computer.

 

Een woordnet kun je gebruiken om overzicht te krijgen.

Bijvoorbeeld: van alles wat iets over jou zegt. In het midden zet je jouw naam. Of ‘Ik ben’. Daarom heen (cirkel) zet je alle informatie.

 

Passie

 

Een passie is iets wat je met hart en ziel doet. Je doet (en laat) er alles voor.

Bijvoorbeeld: muziek maken, sporten, anderen helpen, vliegtuigen spotten, etc.

 

 

Oefening 3. Heb jij een passie?

 

Schrijf in je boekje of bewaar op je computer wat jouw passie is.

Wat zegt dat over jou?

 

Als je een passie hebt, zegt dat heel veel over jou. Dat je daar helemaal voor gaat. Je besteedt daar veel tijd aan. Het zou mooi zijn als bij jouw passie een baan past.

Bijvoorbeeld: wielrennen, schrijven, raadsels oplossen, kruiswoordpuzzels invullen, in de tuin werken, nieuwe dingen bedenken, vliegeren, schoonmaken, etc. Als je daar je baan van zou kunnen maken, zou dat erg leuk zijn toch?

 

 

Opdracht 4. Hoe ziet jouw woordnet eruit?

 

Maak op een apart blaadje jouw woordnet.

Je mag het ook op je computer doen.

 

Hoe doe je dat?

  1. In het middelste vakje staat ‘IK BEN’
  2. In de eerste rij daar omheen (in een cirkel) zet je 4 vakjes waarin je schrijft waarin je goed bent.
  3. In de tweede cirkel daar omheen zet je 3 vakjes. Daarin schrijf je wat je in je vrije tijd doet.

Voorbeeld: je hebt je oma geholpen toen ze ziek was, gesolliciteerd op een vakantiebaantje (je werd aangenomen), een 4 voor wiskunde opgehaald naar een 7, je bent opgekomen voor iemand die werd gepest.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                           Ik ben…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Welke beroepen passen daarbij? Schrijf die in je boekje achterin bij ‘Banen en profielen’.

 

 

Wat doe je allemaal op school? Leren, schrijven, meten, luisteren, praten, met je handen werken, gymen, pauzeren, eten, etc. Wat vind je daar leuk van? En wat vind je helemaal niet leuk?

Wat vind jij leuk? Wat doe je allemaal in je leven? Wat vind je daar leuk aan en wat niet? Als je moet kiezen tussen leuk en niet leuk, wat kies je dan? ‘Leuk’ natuurlijk! Maar wat nu als je iets moet doen wat je niet leuk vindt?

 

Opdracht 1. Wat vind je leuk of niet leuk op school?

 

Schrijf dat in je notitieboekje of op de computer.

In een mapje ‘Profielkeuze, les 3.’

 

Je leven bestaat gelukkig niet alleen uit school. Wat doe je als je niet op school zit? Na schooltijd of in het weekend. Doe je aan sport, heb je een hobby, vind je gamen leuk of moet je klusjes doen in huis?

 

 

Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?

 

Schrijf dat in je notitieboekje of op de computer.

In hetzelfde mapje.

 

Uiteindelijk ga je na het vmbo een vervolgopleiding doen. Of je gaat direct aan het werk. Wat vind je daarvan het leukste? Waarom vind je het één leuker dan het ander?

 

Opdracht 3. Heb je weleens gewerkt?

 

Schrijf dat op in je notitieboekje of op de computer.

Wat vond of leek je daar leuk aan? En wat juist niet?

 

Hoe zou jij het bijvoorbeeld vinden als je een uniform moest dragen (politie), je met je handen moet werken, je buiten moet werken, je elke dag hetzelfde moet doen of veel verdient.

Noteer in je notitieboekje of op de computer twee rijtjes: ‘Leuk’ en ‘Niet leuk’. Alles wat je leuk vindt, zet je onder ‘leuk’. Wat je niet leuk vindt, schrijf je onder ‘Niet leuk’. Bedenk zoveel mogelijk dingen.

Een netwerk bestaat uit mensen die jou kunnen helpen bij het maken van een keuze. Of bij het krijgen van een baan die bij je past.

 

Opdracht 4. Wat wil je later gaan doen?

 

Vorm een groepje van 4.

Probeer je in te leven in je klasgenoten. Geef positieve feedback. Dat is informatie waar diegene iets aan heeft. En neem suggesties van je klasgenoten serieus.

Bijvoorbeeld: ‘Misschien moet je iets met mensen gaan doen. De manier waarop jij vorige week die ruzie suste, vond ik een heel mooi voorbeeld. Je zei precies de juiste dingen.’

Je kunt natuurlijk ook een beroepentest doen. Of een LOB-taak.

WAT HEB JE GELEERD?

 

Deze les heb je geleerd wat je leuk vindt.

 

 

CHALLENGE

 

Denk de komende week nog eens na over wat je op het werk leuk zou vinden. En vooral wat je eigenlijk helemaal niet leuk vindt.

Zoek 5 banen uit. Wat vind je niet leuk en waarom? Zet dat in je boekje. Bespreek het thuis.

 

EXTRA OPDRACHT

Denk na over de vraag: welk beroep past helemaal niet bij mij? En waarom niet. Noteer dat in je boekje.

 

 

 

Les 1 Wat voor beroep past bij mij?

 

 

Als je dat allemaal weet, kun je kijken welke beroepen bij jou passen.

 

Na deze les weet je welke beroep goed bij je past.

 

 

TERUGKIJKEN

 

Julie zouden nadenken over de vraag: welk beroep of welke beroepen passen helemaal niet bij mij?

En waarom niet. Deel dat met de klas. Wie heeft tips voor je?

 

 

Bekijk de video

 

Schrijf goede tips in je boekje of op de computer. inmapje ‘Profielkeuze, les 5’.

Of gebruik de suggesties in dit hoofdstuk.

 

 

Stap 5 Bedenk welke baan je leuk vindt

 

Wat is een LOB-taak?

 

Om erachter te komen welk beroep goed bij je past, voer je LOB-taken uit. Dat zijn opdrachten waarin je praktijkervaringen opdoet en hierop reflecteert. Dat houdt in dat je (terug) kijkt of je het goed hebt gedaan, en of je het leuk vindt.

Bijvoorbeeld: Bij LOB-taken, kun je denken aan een dag meelopen op het werk van je vader of moeder. Maar je kan ook een interview doen met iemand die jouw droombaan heeft. Of iemand die na deze school zijn droombaan heeft gekregen. Je kan ook een sollicitatiebrief schrijven voor de baan die je graag wil hebben, etc.

Portfolio

Een portfolio is een map waarin je documenten verzameld. Dat kan een kartonnen map zijn, of een digitale map.

 

 

Opdracht 1. Welke banen lijken je leuk?

 

Bedenk  zoveel mogelijk interessante banen.

Bewaar die in je portfolio. Alles wat je op school hebt geleerd over je toekomst, stop je in je portfolio. Zo kom je er steeds meer achter wat echt goed bij je past.

 

Wat is een LOB-taak?

Door een LOB-taak kom je erachter:

• welk beroep je leuk vindt
• welke kanten van dat beroep niet zo leuk zijn
• wat je in je portfolio kunt stoppen
• op welke loopbaanvragen je nog meer antwoord wilt vinden.

 

De LOB-taken helpen je om een beroepskeuze te maken.

Bijvoorbeeld door ervaring op te doen tijdens een stage.

 

Of daar kennis over te verzamelen.

Bijvoorbeeld door iemand te interviewen.

 

 

Opdracht 2. Over welk beroep zou jij wel iets meer willen weten?

 

Bedenk welke praktijkopdracht je daarvoor kunt gebruiken.

Bespreek dat met je ouders en met je decaan.

 

Loopbaandossier

Alles wat je hebt meegemaakt, en wat je waardevol vindt, bewaar je in je loopbaandossier. Dit kan een (foto)verslag zijn, een filmpje, collage, sollicitatiebrief etc. Zo kun je ‘bewijzen’ dat je je hebt verdiept in een beroepskeuze. Zie verder bijlage 2

 

 

Opdracht 3. Over welk beroep zou jij wel iets meer willen weten?

 

Bedenk welke praktijkopdracht je daarvoor kunt gebruiken.

 

Bespreek dit met je decaan. Alles wat je daarover leert, bewaar je in je portfolio of Loopbaandossier

WAT HEB JE GELEERD?

 

Deze les leerde je hoe je erachter kan komen welk beroep goed bij jou past.

 

Challenge

 

Bespreek dit met je ouders of andere mensen die je goed kennen.

 

Je hebt in de eerste 5 lessen veel beroepen of richtingen bedacht. Welke 5 beroepen passen het beste bij je? Maak daar een top-5 van. Noteer dat in je portfolio of je loopbaandossier.

Les 1 Welk profiel kies ik?

 

 

Een profiel leid je op voor een beroep (en eventueel een studie). Dus als je weet welke baan jij graag wilt, kun je kijken welk profiel daarbij past.

 

Na deze les weet je wat je moet doen om een goede profielkeuze te maken.

 

 

TERUGKIJKEN

 

De vorige les spraken we af dat jullie nog eens goed zouden kijken naar wat je later wil worden. Welke beroepen passen het beste bij je?

 

Vertel de klas wat je wilt worden.

Leg ook uit waarom je denkt dat dat beroep goed bij je past. De rest van de klas geeft feedback. Bedenk samen beroepen (of een richting) waarvan jullie vinden dat die bij een bepaalde klasgenoot passen, of juist niet. En waarom?

 

 

Bekijk de video

 

Schrijf op in je portfolio of in je Loopbaandossier.

Welke tips wil je onthouden?

 

 

Stap 6 Bepaal: welk profiel past bij mij?

 

 

Natuurlijk wil je ook wel een salaris krijgen als je werkt. Vaak denken mensen dat je als vmbo-er niet zo veel kunt verdienen. Maar dat is lang niet altijd waar.

 

Hoeveel kun je verdienen met een MBO-diploma op zak?

We zetten de acht bestbetaalde beroepen voor je op een rijtje.

  1. Vertegenwoordiger

Kun je goed ‘iets verkopen’ dan is vertegenwoordiger misschien iets voor jou. Je bezoekt klanten en laat producten zien die je bedrijf aanbiedt.

  1. Pedicure

Een pedicure verzorgt voeten. Dat kan zelfstandig (als zzp-er), of in een zorginstelling.

  1. Administrateur

Heb je iets met cijfertjes, rekenen en geld, dan is administrateur wellicht iets voor jou. Een administrateur houdt zich bezig met de boekhouding en/of administratie.

  1. Evenementen-manager

Kun je goed organiseren, dan zou evenementenmanager best wel iets voor jou kunnen zijn. Een evenementenmanager bereidt een evenement of grote bijeenkomst voor en zorgt dat alles goed loopt.

  1. Kraamverzorgster

Vind je baby’s leuk denk dan eens aan kraamverzorgster. Een kraamverzorgster helpt de vroedvrouw, en verzorgt moeder en kind.

  1. Kraanmachinist

Heb je geen last van hoogtevrees, dan is kraanmachinist misschien iets voor jou. Een kraanmachinist zorgt ervoor dat materialen op hun plaats komen. Ook in havens vind je kranen.

  1. Sportinstructeur

Houd je van sport en mensen gezond maken, denk dan eens aan sportinstructeur. Een sportinstructeur werkt bij een sportschool of een sportvereniging. Het is zijn taak sporters te begeleiden.

  1. Sociaalpedagogisch werker

Een sociaalpedagogisch werker helpt mensen bij het ordenen van hun administratie. Of bij problemen met het opvoeden van de kinderen.

 

Je kiest straks voor een profiel. Dat is een belangrijke keus. Maar weet dat 50% van alle mensen later een andere keuze maakt. Je kan altijd een andere keuze maken.

 

Opdracht 1. Wat is je favoriete baan?

 

Bedenk wat je daar al van weet.

Wat vind je leuk en wat niet zo leuk? Pas eventueel je top-5 aan.

 

Wat houdt het beroep of de richting waar je aan denkt precies in. Wat doe je de hele dag? Wat is leuk, en wat niet zo leuk? En hoeveel kans is er dat je die baan ook echt krijgt?

Bijvoorbeeld: je dacht dat werken met bejaarden leuk was. Maar je wist niet welke ‘vieze’ dingen daarbij komen kijken: wassen, verschonen, billen afvegen.

 

 

Opdracht 2. HOE ZIET EEN WERKDAG IN DAT BEROEP ER UIT?

 

Beschrijf een werkdag van het beroep dat bij jou op 1 staat.

Beantwoord onderstaande vragen. Noteer dit in je portfolio of je LOB-dossier. Als je geen antwoord op een vraag weet, bespreek het dan met degene die naast je zit. Of zoek het op.

 

Hoe laat begin je met werken? Hoe laat eindigt je werkdag? Hoeveel geld verdien je per maand? Wat doe je de hele dag? Hoe leuk vind je dat? Zijn er ook dingen die je niet leuk vindt? Welke? Hoe erg vind je dat je dat moet doen?

Ken je iemand die je kan helpen zo’n baan te krijgen? Welke vragen heb je dan? Ook niet onbelangrijk, heb je de juiste opleiding voor dat beroep?

 

 

Opdracht 3. Wat is jouw leerroute?

 

Welke studie(s) moet je nog volgen om uiteindelijk het beroep te krijgen waar jij gelukkig van wordt?

 

Zoek uit welke studie(‘s) je kan doen na het vmbo.

Als je voldoende weet van het beroep, kan je ook bepalen welk profiel daarbij hoort.

 

 

Opdracht 4. Uit welke beroepen kan je kiezen?

 

Kies de 3 interessantste beroepen

Beoordeel alle 3 beroepen. Bedenk wat de positieve en de negatieve kanten zijn van deze beroepen. Neem daarin ook de opleiding mee. Bijvoorbeeld 3 jaar studeren. Is dat een voordeel of een nadeel? Noteer dat in je portfolio en je loopbaandossier.

Welke positieve kant vind je zo belangrijk dat je sowieso voor dat beroep gaat? En welke negatieve kant vind je zo vervelend, dat je sowieso niet voor dat beroep zou kiezen?

Als je iets super-belangrijk vindt, houd daar dan aan vast. Ook als andere mensen iets anders zeggen.

 

Is het realistisch?

Realistisch betekent dat wat je graag wil ook echt kan. Stel: je wil dierenartsassistent worden. Kan je dat dan op het vmbo leren. Maar wil je piloot worden en je hebt hele slechte ogen, dan is dat vrijwel onmogelijk.

Dromen is bedoeld om een richting aan te geven. Als je droombaan te hoog gegrepen is, ga dan eens kijken welke beroepen nog meer met dat beroep te maken hebben. Bijvoorbeeld: profvoetballer lukt niet, trainer misschien wel.

Is het haalbaar?

Kun jij die banen met jouw mogelijkheden ook krijgen?

 

Is de baan leuk?

En is deze baan echt zo leuk? Of zitten er ook negatieve kanten aan (die je niet wilde zien)?

WAT HEB JE GELEERD?

 

Na deze les weet je precies welke baan je graag zou krijgen.

 

 

Challenge

 

Zoek samen met je ouders uit…

  1. Welk beroep staat op 1?
  2. Welk diploma haal je op deze school?
  3. Welke studie of studies moet je dan na deze school volgen?
  4. Welke eisen worden daaraan gesteld?
  5. Welk profiel hoort daarbij?

 

 

 

 

 

Les 7 Welk vakkenpakket past daarbij?

 

 

Deze les kies je een vakkenpakket bij het profiel dat je hebt gekozen. Bij elk profiel kies je een vakkenpakket. Sommige vakken hoef je niet te kiezen, dat is al voor je gedaan. Andere vakken mag je wel kiezen. Hoe zit dat precies?

 

Na deze les weet je welke vakken bij dat profiel horen.

 

 

TERUGKIJKEN

 

De vorige week kregen jullie de opdracht om een definitieve profielkeuze te maken. Is dat gelukt? Wie wil daar iets over zeggen? Wie heeft zijn profiel nog niet gekozen? Welke vragen heb je daar nog bij?

 

 

Bekijk de video

 

Bewaar goede tips in je notitieboekje

 

 

Een aantal scholen biedt keuzeprogramma’s aan die specifiek gericht zijn op doorstroom naar een MBO-opleiding. Dit zijn sport, dienstverlening, veiligheid, kunst & cultuur& cultuur en ICT. Informeer bij je mentor of decaan hoe dit bij jou op school geregeld is.

Stap 7 Welke vakken krijg je in de derde klas?

 

 

UIT WELKE VAKKEN BESTAAT JE PROFIEL?

 

Profielen en vakkenpakketten

Een profiel bestaat uit een gemeenschappelijk deel (1) een profieldeel (2) en een vrij deel (3).

 

(1) GEMEENSCHAPPELIJK DEEL

Voor een deel heb je niets te kiezen. Dat heet het gemeenschappelijk deel. Welk profiel je ook kiest, je krijgt allemaal dezelfde vakken. Dit zijn de vakken Nederlands, Engels, maatschappijleer, lichamelijke opvoeding en één kunstvak (beeldende vorming, muziek, dans of drama).

 

(2) PROFIELDEEL

In je profieldeel kies je het beroepsgerichte programma. Daarin oriënteer je je op jouw toekomst; hoe ziet die er wat jou betreft uit? Welke vervolgopleiding volg je eventueel na het vmbo, welke baan denk je dat het beste bij je past en hoe zorg je ervoor dat je die krijgt? Dit deel bestaat uit een verplicht deel en een keuzedeel.

 

(3) VRIJ DEEL

Binnen het profieldeel kies je ook jouw keuzevakken.

 

GEMEENSCHAPPELIJK DEEL

Als je BBL of KBL gaat volgen, dan krijg je de volgende vakken:

  1. Nederlands
  2. Engels
  3. Maatschappijleer
  4. Lichamelijke opvoeding
  5. (Een combinatie van) beeldende vorming, dans of drama. Dit wordt vaak ingevuld door het vak CKV.

 

Schrijf deze 5 vakken in je LOB-dossier.

 

 

PROFIELDEEL

 

Verplichte profielvak

Bij elk profiel volg je (verplicht) het profiel-vak. Dat is het vak met dezelfde naam als het profiel. Het is een combinatie van theorie en praktijk. Bij dat vak horen vier verplichte modules. Zie daarvoor bijlage 1.

 

Daarnaast is verplicht:

  1. Economie bij het profiel economie & ondernemen.
  2. Wiskunde bij het profiel media, vormgeving & ICT en mobiliteit & transport.
  3. Biologie bij het profiel zorg & welzijn.

 

Voeg dit vak aan je vakken in je notitieboekje toe,

 

Keuzevakken uit het profiel

Naast het gemeenschappelijk deel volg je het derde jaar enkele keuzevakken. Die zijn afhankelijk van welk profiel je hebt gekozen.

 

Hieronder vind je het overzicht van de profielvakken voor BBL en BKL:
  1. Profiel: Bouwen wonen & interieur: een keuze uit (1) wiskunde, (2) natuurkunde, (3) scheikunde
  2. Profiel: Produceren, installeren & energie: een keuze uit (1) wiskunde, (2) natuurkunde, (3) scheikunde
  3. Profiel: Mobiliteit & transport: een keuze uit (1) wiskunde en (2) natuurkunde (Nask 1)
  4. Profiel Media, vormgeving & ICT: een keuze uit (1) wiskunde, (2) natuurkunde, (3) scheikunde.
  5. Profiel Maritiem & techniek: een keuze uit (1) wiskunde, (2) natuurkunde, (3) scheikunde
  6. Profiel Zorg en welzijn: een keuze uit (1) wiskunde, (2) aardrijkskunde (3) geschiedenis en (4) maatschappijleer.
  7. Profiel Economie & ondernemen: een keuze uit (1) Frans, (2) Duits, (3) wiskunde
  8. Profiel Horeca, bakkerij & recreatie: een keuze uit (1) Frans, (2) Duits, (3) Wiskunde
  9. Profiel Groen: een keuze uit (1) natuur-, (2) scheikunde en (3) biologie.
  10. Profiel Dienstverlening & producten: twee keuzevakken te kiezen uit (1) wiskunde, (2) natuurkunde, (3) (Nask 1), (4) biologie en (5) algemene economie.

 

VRIJE DEEL

Naast het gemeenschappelijke deel en profielvakken, kun je soms nog twee extra vakken kiezen. Welke keuzevakken dit zijn, hangt af van wat de school biedt. In de schoolgids van de school staat precies beschreven welke vakken aangeboden worden door de school.

 

Overleg eventueel met je decaan.

 

JE HEBT NU DE LAATSTE KEUZES GEMAAKT. JE WEET WELK PROFIEL EN WELKE VAKKEN JE VANAF VOLGEND JAAR GAAT VOLGEN. BESPREEK MET JE NETWERK OF JE DE JUISTE KEUZES HEBT GEMAAKT. CHECK OF JE NOG IETS AAN WILT PASSEN.

 

 

 

 

 

Deze week heb je je vakkenpakket bij je profiel gekozen.

 

Welk profiel heb je gekozen? En welke keuzevakken? In principe ben je nu klaar. Mocht je nog twijfels hebben, gebruik dan deze les om uit te zoeken of je nog iets wil veranderen.

De afgelopen week zou je terugkijken op de keuzes die je hebt gemaakt. Ben je blij met je keuzes? Of heb je nog twijfels? Bespreek dit met je ouders of je decaan.

Je hebt je keuze gemaakt. Denk in deze laatste les nog eens goed na: is dit echt wat ik wil? Zo ja, prima. Zo nee, praat dan met je netwerk om het zeker te weten.

 

Voordelen en nadelen

 

Opdracht 1. WAT ZIJN DE VOOR- EN NADELEN VAN DE PROFIELEN?

 

Noem de voor- en nadelen van elk profiel. Denk daarbij aan de positieve kanten, maar ook aan de negatieve kanten. Zet deze informatie ook in je notitieboekje

 

BIJVOORBEELD:

Groen:

Voordelen:
1. Buiten werken
2. Gezond
3. Met je handen werken

Nadelen:
1. Vroeg op staan 2. Slecht weer
3. Laarzen

 

 

Stap 8 Trek je conclusie: ben je blij met je keuzes?

 

 

Als je wilt bepalen welk profiel het beste bij je past, kun je kijken naar welk voordeel of nadeel je het allerbelangrijkst vindt. Zo belangrijk dat je bij een voordeel sowieso kiest voor dat profiel. Of zo’n belangrijk nadeel dat je sowieso niet voor dat profiel kiest.

 

BIJVOORBEELD:

Negatief: ik haat het om in de regen door de modder te lopen. Daar moet ik echt niet aan denken. Dan valt Groen waarschijnlijk af.

Positief: ik zou echt niet binnen kunnen werken. Buiten werken geeft me zoveel energie. Daar zou ik niet zonder kunnen. Dan wordt Groen sowieso je keuze.

 

WELK VOORDEEL OF NADEEL WEEGT HET ZWAARST?

 

Ben je blij met je conclusie?

Schrijf dat in je notitieboekje. Of op je computer, in het mapje ‘Mijn conclusies’, les 8′.

 

 

Bijlage 1. Profielen & sectoren

 

1. Economie en Ondernemen

Als je voor het profiel Economie en Ondernemen kiest, leer je wat werken in het bedrijfsleven in de praktijk betekent. Ben jij goed in wiskunde, wil je een eigen zaak beginnen, ben je goed in het verkopen van producten, dan zou dit profiel goed bij jou kunnen passen. Zeker als je later receptionist (bijvoorbeeld in een hotel) wil worden, in een winkel wil werken als verkoper, inkoper, etaleur of magazijnbediende.

 

VAKKEN

 

Kern profiel: Economie en Ondernemen

Module 1: Commercieel (1701)

Module 2: Secretarieel (1702

Module 3: Logistiek (1703)

Module 4: Administratie (1704)

 

Keuzevakken:

  • Marketing (1714)
  • Officemanagement (1715)
  • Distributie (1716)
  • Financieel en administratief beheer (1717)
  • Ondernemen (1709)
  • Webshop (1710)
  • Presentatie en styling (1718)
  • Mode en design (1712)

 

Het profiel-gebonden vak (verplicht):

➜ Economie.

 

Profiel-gebonden keuzevakken:

➜ Wiskunde
➜ Een Moderne Vreemde Taal.

 

2. Horeca, bakkerij en recreatie (H, B & R)

Als je het prettig vindt om het mensen naar de zin te maken, dan is het profiel Horeca, bakkerij en recreatie wellicht geschikt voor jou. Dan is het wel handig als je goed met mensen om kunt gaan, en gastvrij bent. In dit profiel leer je koken, maaltijden serveren en mensen onderhouden. Met dit profiel kan je later werken als kok, gastheer/gastvrouw of bakker.

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Horeca, Bakkerij en Recreatie

Module 1: Gastheerschap (1801)

Module 2: Bakkerij (1802)

Module 3: Keuken (1801)

Module 4: Recreatie (1804)

 

Keuzevakken:

  • Gastheer-specialisatie (1817)
  • Brood- en banketspecialisatie (1818)
  • Keukenspecialisatie (1819)
  • Evenementen (1820)
  • Patisserie (1809)
  • De bijzondere keuken (1810)
  • Traiteur (1811)
  • Facilitaire dienstverlening, beheer en onderhoud (18210

 

Profiel-gebonden vak:

➜ Economie (verplicht)

 

Profiel-gebonden keuzevakken:

➜ Wiskunde (keuze)
➜ een Moderne Vreemde Taal (keuze).

 

 

3. Zorg en Welzijn (Z & W)

Bij Zorg en Welzijn moet je denken aan de gezondheidszorg; verpleegster, fysiotherapeut, tandarts, diëtiste, etc. Maar je kunt ook denken aan bejaardenverzorgster, kinderbegeleider, gehandicaptenzorg of sport. Ben jij iemand die graag klaarstaat voor anderen, heb je veel geduld en kan je goed luisteren? Dan is dit profiel waarschijnlijk geschikt voor jou!

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Zorg en Welzijn

Module 1: Mens en gezondheid (1601)

Module 2: Mens en omgeving (1602)

Module 3: Mens en activiteit (1603)

Module 4: Mens en zorg (1604)

 

Keuzevakken:

  • Kennismaking met uiterlijke verzorging (1623)
  • Haarverzorging (1606)
  • Huidverzorging (1607
  • Hand- en voetverzorging (1608)
  • Welzijn kind en jongere (1620)
  • Wonen en huishouden (1610)
  • Assisteren in de gezondheidszorg (1624)
  • Welzijn volwassenen en ouderen (1625)
  • Facilitaire dienstverlening, catering en inrichting (1626)
  • Facilitaire dienstverlening, onderhoud en receptie (1627)
  • Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628)
  • Voorkomen van ongevallen en EHBO (1617)

 

Profiel-gebonden vak (verplicht):

➜ Biologie.

 

Profiel-gebonden keuzevakken:

➜ Wiskunde
➜ Aardrijkskunde ➜ geschiedenis
➜ maatschappijleer.

 

4. Groen

Bij de sector groen hoef je geen profiel te kiezen. Als je voor de sector Groen kiest, is dat je profiel. Als je van planten, dieren, buiten werken houdt, in de natuur of op het land, of (gezonde) voeding of duurzaam belangrijk vindt, is dit profiel misschien goed voor jou. Tijdens deze opleiding leer je bijvoorbeeld hoe je planten teelt, maar ook wat er met de deze planten gebeurt zoals transport en verkoop, telen op het land, de verwerking en bereiding, het transport, maar ook de verkoop. Maar ook kun je denken aan het bedenken en aanleggen van een tuin of park.

 

VAKKEN

Kernprofiel: Groen

Module 1: Groene productie (2001)

Module 2: Tussen productie en verkoop (2002)

Module 3: Vergroening stedelijke omgeving (2018)

Module 4: Groene vormgeving en verkoop (2004)

 

Keuzevakken:

  • Het groene machinepark (2005)
  • Tuinontwerp en –aanleg (2006)
  • Werk in tuin en landschap (2007)
  • Bloemwerk (2008)
  • Groene vormgeving en styling (2009)
  • Groei voorbereiden (2019
  • Groei en oogst (2011)
  • Het houden van dieren (2012)
  • Gezonde dieren (2013)
  • Water (2014)
  • Voeding, hoe maak je het? (2020)
  • Groene zorg (2016)
  • Natuurlijk groen (2017)

 

Profiel-gebonden vak:

➜ Wiskunde.

Keuzevakken:

➜ Biologie ➜ NaSk1.

 

5. Dienstverlening en Producten (D & P)

Als je nog geen idee hebt wat je moet kiezen, zou je voor deze sector/dit profiel kunnen gaan. Als je daarvoor kiest wil je jezelf eerst beter leren kennen, wil je leren hoe je goede keuzes maakt of uitzoeken waar je goed in bent en wat je nu eigenlijk wilt.

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Dienstverlening en Producten

Module 1: Organiseren van een activiteit (1915)

Module 2: Presenteren, promoten en verkopen (1902)

Module 3: Een product maken en verbeteren (1903)

Module 4: Multimediale producten maken (1904)

 

Keuzevakken:

  • Digispel (1911)
  • Robotica (1906)
  • Werken aan natuur en milieu (1912)
  • Voeding en beweging (1913)
  • Podium (1909)
  • Geüniformeerde dienstverlening en veiligheid (1910)
  • Milieu, hergebruik en duurzaamheid.(1914)

 

Keuzevakken:

➜ Economie ➜ Wiskunde ➜ NaSk1
➜ Biologie

 

 

6. Bouwen, Wonen en Interieur (BWI)

Als het je leuk lijkt om iets te bedenken (ontwerpen, bijvoorbeeld huizen), te maken, (bijvoorbeeld bouwen of verbouwen) of in te richten, dan is dit profiel misschien een goede keuze. Dan kun je bijvoorbeeld den- ken aan banen als metselaar, meubelmaker, (binnenhuis) architect, schilder of timmerman.

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Bouwen, Wonen en Interieur

Module 1: Bouwproces en bouwvoorbereiding (12010

Module 2: Bouwen vanaf de fundering (1202)

Module 3: Hout en meubelverbindingen (1203)

Module 4: Design en decoratie (1204)

 

Keuzevakken:

  • Constructieve aansluitingen en afwerking (1205)
  • Schoonmetselwerk (1206)
  • Schilderen van hout- en steenachtige ondergronden (1207)
  • Interieurbouw, stands en betimmeringen (1208)
  • Bouwkundig onderhoud, renovatie en transformatie (1224)
  • Gevelopeningen (1210)
  • Daken en kapconstructies van hout (1225)
  • Bijzonder metselwerk (1214)
  • Vloeren (1212)
  • Bouwmethoden en bouwstijlen (1213)
  • Scheidingswanden (1215)
  • Wandafwerking (1216)
  • Schilderen en spuiten op kunststof en metalen (1226
  • Onderhoud schilderwerk (1218)
  • Glaszetten (1227)
  • Meubelmaken (1220)
  • Bouw- en woonrijp maken (1221)
  • Terreinafwerking (1222)
  • Interieurontwerp en –design (1223)

 

Profiel-gebonden vakken:

➜ NaSk1
➜ Wiskunde.

 

7. Produceren, Installeren en Energie (PIE)

Als je hart ligt bij het maken of repareren van machines of elektronische producten dan is dit misschien een goede keuze. Je leert bijvoorbeeld hoe je een product bedenkt en in elkaar zet, alles over verschillende materialen, gereedschap en veiligheid. Voorbeelden van banen zijn monteur, lasser, constructiewerker of ontwikkelaar.

 

VAKKEN

 

Kernmodule: Produceren, Installeren en Energie

Module 1: Ontwerpen en maken (1301)
Module 2: Bewerken en verbinden van materialen (1302) Module 3: Besturen en automatiseren (1303)
Module 4: Installeren en monteren (1304)

 

Keuzevakken:

  • Plaat- en constructiewerk (1305)
  • Booglas=processen (1326)
  • Klimaattechnologie (1307)
  • Procestechniek (1308)
  • Duurzame energie (1327)
  • Werktuigkundig en elektronisch onderhoud (1310)
  • Utiliteitinstallaties (1311)
  • Praktisch booglassen (1328)
  • CNC-technieken (1313)
  • Drinkwateren sanitair (1314)
  • Dakbedekking (1316)
  • Verspanningstechnieken (1317)
  • Woon- en kantoor technologie (1318)
  • Domotica en automatisering (1329)
  • Nutsvoorzieningen (1322)
  • Koudetechniek (1330)
  • Lucht, geluid en beeld (1315)

 

Profiel-gebonden vakken:

➜ NaSk1
➜ Wiskunde.

 

8. Mobiliteit en Transport (M&T)

Als je interesse hebt in de techniek (besturen of repareren van bijvoorbeeld een vrachtwagen) achter vervoersmiddelen en transport, past dit profiel misschien goed bij je. Je leert basisdingen als een fietsband plakken en lampen afstellen, maar bijvoorbeeld ook hoe je routes kunt plannen die een vrachtmagen moet rijden. Met dit profiel wordt je opgeleid voor beroepen als monteur, autoschadehersteller en vliegtuigonderhouder.

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Mobiliteit en Transport

Module 1: motorconditie testen (1401)

Module 2: Wielophanging en carrosserie (1402)

Module 3: Verlichtings- en comfort-systemen (1403)

Module 4: Transport (1404)

 

Keuzevakken:

  • Motorsystemen (1405)
  • Aandrijf- en remsysteem (1406)
  • Elektronica (1407)
  • Bedrijfswagens (1408)
  • Fietstechniek (1409)
  • Gemotoriseerde tweewieler (1410) Carrosseriebouw (1411)
  • Autoschade en spuiten (1412) Verbrandingsmotoren (1413)
  • Rit-voorbereiding en rit-afhandeling (1414) Mobiele werktuigen (1415)
  • Operationele magazijnwerkzaamheden (1416)

 

Profiel-gebonden vakken:

➜ NaSk1
➜ Wiskunde.

 

9. Media, vormgeving en ICT (MVI)

Vind je creatieve, digitale en moderne ontwikkelingen en technieken interessant, dan is dit profiel misschien wel geschikt voor jou. In het ICT vak leer je hoe je netwerken moet aanleggen. Je krijgt vakken als tekenen, schilderen en illustreren, daarnaast werk je aan je creatieve vaardigheden. Met 2D en 3D vormgeving en productie leer je hoe je die producten kunt maken.

 

VAKKEN

 

Kernprofiel: Media, vormgeving en ICT

Module 1: Audiovisuele vormgeving en productie (1501)

Module 2: 2D en 3D vormgeving en productie (1502)

Module3: ICT (1503)

Module 4: Interactieve vormgeving en –productie (1504)

 

Keuzevakken:

  • 3D vormgeving en realisatie (1505)
  • Idee-ontwikkeling (1506)
  • Netwerkbeheer (1507)
  • Printmedia-productie (1508)
  • Tekenen, schilderen en illustreren (1509)
  • Game-design (1510)
  • Fotografie (1511)
  • Licht, gelid en decor (1512)
  • Applicatieontwikkeling (1513)
  • Digitale beveiliging (1514)
  • Sign (1515)
  • Vormgeven en typografie (1516)

 

Profiel-gebonden vakken:

➜ NaSk1
➜ Wiskunde.

 

10. Maritiem en Techniek (MT)

Als je hart uitgaat naar de zee, varen en techniek, dan is dit profiel vast iets voor jou. Je leert alles over de wereld en de techniek van de scheepvaart.

Module 1: Maritieme logistiek en communicatie (2101)

Module 2: Maritieme veiligheid (2102)

Module 3: Maritieme installaties (2103)

Module 4: Reparatie en onderhoud (2104)

 

Keuzevakken:

  • Werken en leven aan boord (2105)
  • Ladingbehandeling aan boord (2106)
  • Navigatie (2107)
  • Scheepskennis (2108)
  • Zeevaartkunde (2109)
  • Dienstverlening in de haven (2110)
  • Opslag en overslag in de haven (2111)
  • Stuwadoor en vorkheftruc (2120)
  • Ladingsadministratie in de haven (2113)
  • Expediteur, luchtvaart en douane (2114)
  • Cargadoor (2115)
  • Nautische materialen en gereedschappen (2116)
  • Scheepsconstructie en –ontwerp (2117)
  • Maritieme mechanische installaties (2118)
  • Conserveren van maritieme systemen (2119)

 

De profiel-gebonden vakken

➜ NaSk1
➜ Wiskunde.

 

Je kunt dit profiel helaas maar op drie scholen volgen.

 

Bijlage 2. LOB-taken

 

 

Een LOB-taak is een taak die je helpt om een profielkeuze te maken. Je loopt bijvoorbeeld mee met iemand die jouw droombaan echt heeft. Dat kan zijn iemand die je kent, maar misschien moet je ook wel iemand zoeken. In dat geval bel je een bedrijf, maak je een afspraak met die persoon, bereid je vragen voor die je aan hem kan stellen en loop je eventueel een dagje mee. Als dat dagje achter de rug is, schrijf je je ervaringen op en slaat het op in je LOB-dossier.

Je mag zelf bepalen hoe je je ervaringen verwerkt. Je kan de meeloop dag bijvoorbeeld filmen, je kunt er een verslag van maken, je kunt het gesprek opnemen of een combinatie daarvan. Tot slot sla je je video, verslag of opname op in je portfolio. Het is goed om beelden te verduidelijken met wat je hebt ervaren en hoe je dat hebt ervaren.

 

1. Stage lopen

 

Als je stage gaat lopen, kun je zelf ervaren hoe het is om bepaald werk te doen. Het biedt je niet alleen de mogelijkheid om dingen te doen, maar ook om alle vragen te stellen die je wilt. Een stage is dus een kans om erachter te komen of de baan die je denkt leuk te vinden, echt zo leuk is. Kijk dan niet alleen naar de positieve kanten, maar ook naar de negatieve kanten; wat ervaar jij als niet zo leuk?!

Bijvoorbeeld: weinig salaris, vroeg opstaan, weinig vrijheid, steeds hetzelfde, vervelende handelingen, etc.

Bespreek dit met je decaan

 

Wat moet je doen?

Bepaal waar je stage wilt lopen. Denk daarbij aan wat je wil leren of waar je achter wilt komen.
Maak een afspraak? Denk daarbij aan: hoe lang, wanneer beginnen en wat je werkzaamheden zijn. Soms krijg je ook salaris.

NB. Vaak heeft de school al contact met bedrijven, of kan de decaan je tips en advies geven.

 

2. Interview doen

 

Door een interview te doen, Krijg je de kans om vragen te stellen. Niet alleen over het werk zelf, maar ook over opleidingseisen, opleiding en negatieve kanten.

Wie: iemand die de baan heeft die jou heel leuk lijkt, een ouderejaars, één van je ouders of een ander familielid.

Waarom: omdat diegene kennis en ervaring heeft over (bijvoorbeeld) de baan die jij graag wilt hebben.

 

BEDENK WIE JE WILT INTERVIEWEN.

 

Wat moet je doen?

– Denk vooral na over wat je wilt weten.
– Maak aan de hand daarvan een lijst met vragen.
– Bedenk: wie wil ik interviewen (welke baan, welk bedrijf)?

Betrek je netwerk daarbij

– Mail of bel degene die je wilt interviewen.
– Maak een afspraak (waar en welke dag en tijd).
– Maak er een verslag (met je conclusie) van en stop het in je portfolio.

 

3. Doe een test

 

Als je twijfelt over welke baan bij je past, kun je een beroepen-test doen. Deze vind je bijvoorbeeld op het Internet.

 

Wat moet je doen?

  • Google ‘Beroepen-test’.
  • Maak de test.
  • Bespreek die met je netwerk.
  • Bepaal welke beroepen goed bij je passen (je vindt ze leuk en je hebt de kwaliteiten).
  • Gebruik die informatie om een keuze te maken (maar neem ze niet klakkeloos over; waar ben jij het mee eens?).
  • Bewaar de test en jouw ervaring in je portfolio.

 

 

Bijlage 3. Loopbaabdossier 

 

 

Een LOB-taak is een taak die je helpt om een profielkeuze te maken. Je loopt bijvoorbeeld mee met iemand die jouw droombaan echt heeft. Dat kan zijn iemand die je kent, maar misschien moet je ook wel iemand zoeken. In dat geval bel je een bedrijf, maak je een afspraak met die persoon, bereid je vragen voor die je aan hem kan stellen en loop je eventueel een dagje mee. Als dat dagje achter de rug is, schrijf je je ervaringen op en slaat het op in je LOB-dossier.

Je mag zelf bepalen hoe je je ervaringen verwerkt. Je kan de meeloop dag bijvoorbeeld filmen, je kunt er een verslag van maken, je kunt het gesprek opnemen of een combinatie daarvan. Tot slot sla je je video, verslag of opname op in je portfolio. Het is goed om beelden te verduidelijken met wat je hebt ervaren en hoe je dat hebt ervaren.

 

1. Stage lopen

 

Als je stage gaat lopen, kun je zelf ervaren hoe het is om bepaald werk te doen. Het biedt je niet alleen de mogelijkheid om dingen te doen, maar ook om alle vragen te stellen die je wilt. Een stage is dus een kans om erachter te komen of de baan die je denkt leuk te vinden, echt zo leuk is. Kijk dan niet alleen naar de positieve kanten, maar ook naar de negatieve kanten; wat ervaar jij als niet zo leuk?!

Bijvoorbeeld: weinig salaris, vroeg opstaan, weinig vrijheid, steeds hetzelfde, vervelende handelingen, etc.

Bespreek dit met je decaan

 

Wat moet je doen?

Bepaal waar je stage wilt lopen. Denk daarbij aan wat je wil leren of waar je achter wilt komen.
Maak een afspraak? Denk daarbij aan: hoe lang, wanneer beginnen en wat je werkzaamheden zijn. Soms krijg je ook salaris.

NB. Vaak heeft de school al contact met bedrijven, of kan de decaan je tips en advies geven.

 

2. Interview doen

 

Door een interview te doen, Krijg je de kans om vragen te stellen. Niet alleen over het werk zelf, maar ook over opleidingseisen, opleiding en negatieve kanten.

Wie: iemand die de baan heeft die jou heel leuk lijkt, een ouderejaars, één van je ouders of een ander familielid.

Waarom: omdat diegene kennis en ervaring heeft over (bijvoorbeeld) de baan die jij graag wilt hebben.

 

BEDENK WIE JE WILT INTERVIEWEN.

 

Wat moet je doen?

– Denk vooral na over wat je wilt weten.
– Maak aan de hand daarvan een lijst met vragen.
– Bedenk: wie wil ik interviewen (welke baan, welk bedrijf)?

Betrek je netwerk daarbij

– Mail of bel degene die je wilt interviewen.
– Maak een afspraak (waar en welke dag en tijd).
– Maak er een verslag (met je conclusie) van en stop het in je portfolio.

 

3. Doe een test

 

Als je twijfelt over welke baan bij je past, kun je een beroepen-test doen. Deze vind je bijvoorbeeld op het Internet.

 

Wat moet je doen?

  • Google ‘Beroepen-test’.
  • Maak de test.
  • Bespreek die met je netwerk.
  • Bepaal welke beroepen goed bij je passen (je vindt ze leuk en je hebt de kwaliteiten).
  • Gebruik die informatie om een keuze te maken (maar neem ze niet klakkeloos over; waar ben jij het mee eens?).
  • Bewaar de test en jouw ervaring in je portfolio.

 

 

Inhoudsopgave

Les 1. Wat is je droombaan?

Les 2. Wat kan er beter?

Les 3. Hoe haal je een hoger cijfer?

Terug naar hoofdpagina