Module 5. Hoe leer je van je fouten
Les 2. Wie ben ik?
Hoe kom je erachter wie je bent? Als je dat weet, kun je kijken welk soort werk bij je past.
Na deze les weet je beter wie je bent.
TERUGKIJKEN
Heb je thuis besproken welke banen zij wel bij je vinden passen? Hoe ging dat? Hadden ze nog goede ideeën? Mocht je nog interessante banen horen, noteer die ook in je boekje.
Bekijk de video bij deze les.
- Zet eventueel interessante beroepen achter in je notitieboekje bij ‘Banen en profielen’.
De eerste les ging over je droombaan? Deze les gaat over wie je bent; waar geloof je in, wat is je passie en welke karaktereigenschappen bezit je. Waaraan kan je dus zien wat voor type je bent? En welk beroep hoort daarbij?
Je kan ook veel over jezelf leren als je kijkt naar hoe je bent op school. Je klasgenoten hebben vast een idee wat voor type je bent.
Stap 2: vraag je af: wie ben ik?
Wie ben ik?
Waar geloof je in? Wat zijn je karaktereigenschappen? Wat is je passie? Vragen die meehelpen een antwoord te geven op de vraag wie ben ik? Om een goede keuze te kunnen maken, is het wel handig als je weet wat je wil. Ja toch?
14
Opdracht 1. WIE BEN JE?
- Stel jezelf voor aan de klas
Dat doe je door de onderstaande vragen te beantwoorden. Noteer je antwoorden in je notitieboekje of op je computer.
Vraag 1. Waar houd je van?
Bijvoorbeeld: ik houd van sporten, tekenen, televisiekijken, gamen.
- Zet dat voorin in je notitieboekje of op de computer
Vraag 2. Waar woon je? En met wie?
Bijvoorbeeld: ik woon in Almere, met mijn twee moeders, m’n zusje, drie honden, een poes en een goudvis. Nu jij!
Vraag 3. Wat zijn jouw beste karaktereigenschappen?
Als mensen van jou zeggen dat je altijd voor anderen klaar staat, noem je dat een karaktereigenschap.
Bijvoorbeeld: ik ben eerlijk, hulpvaardig, grappig, een volhouder, ijverig, lief, onhandig, etc.
Vrije tijd
Maar ook wat je in je vrije tijd doet, zegt soms veel over je. Zit je op een sportclub? Doe je vrijwilligerswerk? Ben je “verslaafd” aan gamen? Of zit je de hele dag te vloggen? Wat zegt dat over wie jij bent?
15
Oefening 2. WAT DOE JE HET MEESTAL NA SCHOOLTIJD?
- Denk eens terug aan gisteren.
Wat heb je toen allemaal gedaan? Bespreek dat met elkaar.
tap 1. Kies een droombaan
Volg je hart, dat klopt altijd!
Wat betekent dat?
- Bespreek dat met de klas
Wat betekent ‘Volg je hart, dat klopt altijd?’ Schrijf dat in je eigen woorden op,
‘Volg je hart, dat klopt altijd’, betekent:
………………………………………………………………………………………………………
Droombaan
Van welk beroep heb je altijd al gedroomd? Dat beroep past waarschijnlijk goed bij je. Want daar word je gelukkig van.
10
Een droombaan is een baan die je later heel graag zou hebben. Waar denk je dan aan? Is dat dezelfde baan als je vader of moeder, of iets heel anders. Ken je iemand die zo’n baan heeft?
Opdracht 1. WAT IS JE DROOMBAAN?
- Schrijf op waar een droombaan aan moet voldoen.
Bijvoorbeeld: mijn droombaan moet sowieso een leuke baan zijn.
Met leuke mensen. En niet te ver weg. Zet dat in je notitieboekje of maak een mapje op je computer: ‘Profielkeuze vmbo BK 2. Of maak een mapje bij elk hoofdstuk. De naam wordt de titel. Zo kan je het gemakkelijk terugvinden.
Van welk beroep heb je wel eens ‘gedroomd’?
Bijvoorbeeld: politieagent, ambulancechauffeur, wegwerker, boswachter, kok, monteur, etc.
Stel dat je die baan echt zou hebben, wat doe je dan de hele dag?
Bijvoorbeeld: zie je jezelf in een uniform, bestuur je een auto, werk je met een grasmaaier, ben je op een boerderij, was je bejaarden of ben je iets aan het tekenen?
Opdracht 2. WAT VIND JIJ LEUK AAN EEN DROOMBAAN?
- Schrijf 3 dingen in je notitieboekje.
Bijvoorbeeld: buitenwerken, met dieren werken, iemand helpen, iets repareren, haar knippen, dieren trainen, een uniform, overdag, etc.
11
BANEN EN BEROEPEN
Het werk dat je kunt doen noem je ‘een beroep’ of ‘een baan’. Kok is bijvoorbeeld een beroep, maar het is ook iemands baan.
Er zijn duizenden beroepen. Voor een deel zijn dat andere beroepen dan vroeger. Dat komt omdat de wereld verandert. Vroeger kenden we nog geen ICT, games, mobiele telefoons of harttransplantaties. Hoe kies je daar nu een beroep uit dat bij je past?
Oefening 3. WAT VIND JIJ ECHT BELANGRIJK AAN EEN BAAN?
Schrijf de 3 belangrijkste dingen in je notitieboekje. Maak daar een top-3 van.
Bijvoorbeeld: ‘vrijheid, leuke collega’s, een uniform dragen, ’s nachts werken, vroeg beginnen, dichtbij huis, buiten werken, ook als het vriest of regent, etc.
Hieronder staan tien dingen die jij mooi of misschien niet mooi vindt bij een baan.
Opdracht 4. WELKE LEUKE BEROEPEN PASSEN BIJ WAT JIJ ZOEKT?
- Maak met degene die naast je zit een lijstje.
Schrijf het op een apart blaadje. Geef die beroepen allebei een cijfer van 1 tot en met 10. Leg uit waarom je dat beroep graag zou doen. Welk beroep staat bij jou op 1, welk op 2? Waarom vind je dat het leukste beroep? Schrijf dat in je notitieboekje.
Bijvoorbeeld: kok. Omdat ik dol ben op bakken en koken.
Dromen is leuk. Want in een droom kan alles. Maar hoe zit dat in het échte leven? Misschien ben je in je droom wel chirurg. Maar ja, om chirurg te worden moet je heel lang studeren. Daar heb je VWO voor nodig.
12
Schrijf erachter waarom je dat beroep leuk vindt.
Bijvoorbeeld: vrachtwagenchauffeur, omdat ik dan veel vrijheid heb.
Misschien is je droombaan niet haalbaar, maar ken je wel banen die daarmee te maken hebben.
Is jouw droombaan echt zo leuk? Of heb je een andere droombaan bedacht? Het is heel belangrijk dat de baan die je later krijgt leuk is. Je bent er ten slotte een groot deel van je leven mee bezig.
JE NETWERK
Je netwerk is de groep mensen die je kan helpen. Bijvoorbeeld om je informatie te geven. Maar ook om je te helpen een goede baan te vinden. Denk aan je ouders, vrienden, familie, buren of mensen die zij weer kennen.
- GA NAAR WWW.BEROEPENINBEELD. Daar vind je veel filmpjes over beroepen. Misschien zitten daar ook beroepen tussen war je niet aan hand gedacht. Praat hierover met je netwerk. Wat vinden zij dat bij jou past?
Misschien kom je nog op andere ideeën. Pas dan je beroepen aan in je notitieboekje.
Deze les heb je geleerd wat je belangrijk vindt aan een baan.
De Challenge
Welk beroep past misschien wel goed bij jou?
- Bespreek dit met je ouders.
Als ze goede banen noemen, schrijf die dan in je notitieboekje. Maak achter in een gedeelte ‘Banen en profielen’.
DE VOLGENDE LES GAAT OVER WIE JE BENT.
Terugkijken betekent kijken naar hoe je iets hebt gedaan.
Bijvoorbeeld: hoe je een toets hebt voorbereid..Heb je dat goed gedaan? Of kan het beter? Als je weet dat je een fout hebt gemaakt, kan je bedenken hoe het beter kan. Het is dus iets leren van je eigen fouten.
Bij terugkijken stel je jezelf 4 vragen:
- Wat is de situatie?
- Wat is jouw rol?
- Wat deed je goed?
- Wat deed je niet zo goed?
- Hoe doe je het de volgende keer beter?
OPDRACHT 1. Hoe kijk je terug op een situatie?
Wanneer ging er iets niet zo goed.
Vertel, wat was de situatie? Als je wil terugkijken op die situatie, stel dan die 5 vragen. En geef een eerlijk antwoord. Schrijf de antwoorden in je notitieboekje of bewaar het op je computer..
Hoe werkt het?
1. Wat is de situatie?
Bijvoorbeeld. Je had ruzie met je moeder. Je had een tegenvallend cijfer voor een toets. Of je kwam te laat op een afspraak.
2. Wat was jouw rol?
Bijvoorbeeld: ‘Ik had me verslapen’.
3. Wat deed je goed?
Bijvoorbeeld. Je hebt gebeld dat het iets later zou worden.
4. Wat deed je niet zo goed?
Bijvoorbeeld. Ik deed een dutje en was vergeten de wekker te zetten.
5. Hoe doe je het de volgende keer beter?
Bijvoorbeeld. De volgende keer zet ik de wekker.
Het begint met toegeven dat je iets niet goed hebt gedaan. Dan kan je bedenken hoe je het beter kunt doen. Hoe doe je het de volgende keer beter?
Challenge
- Bereid je voor op de presentatie van jezelf.
Schrijf dat op in je boekje en laat het aan je ouders lezen. Zijn ze het met je eens?
Inhoudsopgave
Les 1. Hoe kijk je terug op een situatie?
Les 2. Wat kan er beter?
Les 3. Hoe haal je een hoger cijfer?
Terug naar hoofdpagina