Module 5. Hoe leer je van je fouten
Les 3. Wat kan ik?
Het is ook belangrijk om te weten wat je wel kan en wat je niet kan. Stel dat je heel graag autocoureur wil worden, maar je kunt niet zo goed autorijden…
Na deze les weet je beter waar je goed in bent?
TERUGKIJKEN
Jullie zouden jezelf aan de klas presenteren. Probeer dingen te vertellen die je klasgenoten niet kennen.
Bekijk de video bij deze les
- Noteer je ervaringen in je boekje of op je computer.
Wat doe je meestal na schooltijd of in het weekend? Hoe lang ben je daarmee bezig? Wat vind je daar zo leuk aan? En wat zegt dat over jou? Bespreek het met degene die naast je zit.
Stap 3. Vraag je af: waar ben ik goed in?
Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je heel goed iets kan repareren, dan is Techniek misschien een goede keuze.
17
Waar ben jij goed in? Dat kan je helpen om het juiste beroep te vinden. Bij welk beroep past dat? Of bij welk beroep juist niet?
Bijvoorbeeld: ik kan aardappels schillen, de tuin onderhouden, tegen kietelen, schilderen, dingen uitzoeken, spelletjes spelen, goochelen, etc.
Wat kan je goed
Opdracht 1. WAAR BEN JE GOED IN?
- Geef onderstaande werkwoorden een cijfer van 1 tm 10
10 is ‘daar ben ik heel goed in’. 1 is ‘daar ben ik totaal niet goed in.’ De laatste twee mag je zelf invullen (waar ben jij goed in?).
Ik ben (goed in)..
- Dingen repareren ……
- Dingen bedenken ……
- Op tijd zijn ……
- Met mijn handen werken ……
- Sporten ……
- Rekenen ……
- Gamen ……
- Koken ……
- ……………………… ……
- ………………………. ……
Vrije tijd
Opdracht 2. WAT DOE JE IN JE VRIJE TIJD?
- Vertel: wat doe je in je vrije tijd?
Dus in de tijd dat je niet op school zit. Noteer dat in je boekje of op je computer.
18
Een woordnet kun je gebruiken om overzicht te krijgen. Bijvoorbeeld: van alles wat iets over jou zegt. In het midden zet je jouw naam. Of ‘Ik ben’. Daarom heen (cirkel) zet je alle informatie.
Passie
Een passie is iets wat je met hart en ziel doet. Je doet (en laat) er alles voor. Bijvoorbeeld: muziek maken, sporten, anderen helpen, vliegtuigen spotten, etc.
Oefening 3. HEB JIJ EEN PASSIE?
- Noteer in je boekje of op Internet wat jouw passie is.
Wat zegt dat over jou?
Als je een passie hebt, zegt dat heel veel over jou. Dat je daar helemaal voor gaat. Je besteedt daar veel tijd aan. Het zou mooi zijn als bij jouw passie een baan past.
Bijvoorbeeld: wielrennen, schrijven, raadsels oplossen, kruiswoordpuzzels invullen, in de tuin werken, nieuwe dingen bedenken, vliegeren, schoonmaken, etc. Als je daar je baan van zou kunnen maken, zou dat erg leuk zijn toch?
Opdracht 4. HOE ZIET JOUW WOORDNET ERUIT?
- Maak hieronder jouw woordnet
- In het middelste vakje staat ‘IK BEN’
- In de eerste rij daar omheen (in een cirkel) zet je 4 vakjes waarin je schrijft waarin je goed bent.
- In de tweede cirkel daar omheen zet je 3 vakjes. Daarin schrijf je wat je in je vrije tijd doet.
Voorbeeld: je hebt je oma geholpen toen ze ziek was, gesolliciteerd op een vakantiebaantje (je werd aangenomen), een 4 voor wiskunde opgehaald naar een 7, je bent opgekomen voor iemand die werd gepest.
Deze les leerde je meer over jezelf. Wat heeft dat te maken met het beroep dat je straks gaat kiezen?
CHALLENGE
- Bespreek je woordnet de komende week met je ouders.
Pas eventueel het vak in je profielschema voor deze les aan. De volgende les komen we daarop terug.
Inhoudsopgave
Les 1. Hoe kijk je terug op een situatie?
Les 2. Wat kan er beter?
Les 3. Hoe haal je een hoger cijfer?
Terug naar hoofdpagina