Module 6 Samenwerken
Les 1 Hoe bereid je je voor?
Samenwerken doe je als het gaat om een ‘groot’ project. Maar ook later, als je een baan hebt bij een bedrijf.
Bijvoorbeeld als je een klassenfeest wil organiseren. Daarvoor moet nogal wat gedaan worden. Dat kan iemand niet in z’n eentje doen. En ja, samen sta je sterk.
Na deze les weet je hoe je je kan voorbereiden op een project.
Reflecteren
De vorige module ging over reflecteren. Weet je waarvoor en hoe jie vaardigheid kunt gebruiken? Ga je dat ook doen, denk je? Daar komen we in de volgende mentorles op terug/
Noteer dat in je notitieboekje of bewaar die informatie in een mapje op je computer..
Als je goede tips hebt voor je klasgenoten, deel die dan met de klas.
Bekijk de video
Noteer goede tips in je notitieboekje of sla die informatie op in het mapje ‘Samenwerken’.
Zodat je deze informatie gemakkelijk terug kunt vinden.
Voor welk vak heb je de komende dagen een project?
Noteer dit in je agenda.
Om welk vak het gaat, wat je daarvoor moet doen en wanneer je het project hebt.
Aangezien je deze modules zelfstandig thuis doet, zal je afspraken met elkaar moeten maken. Dat kan pas als je groepjes van 4 hebt gevormd. De mentor vormt de groepjes. Daarna maak je met je groepje een afspraak over hoe jullie dit gaan aanpakken. Wanneer en waar spreken jullie af? Dat doe je voorafgaand aan de volgende mentorles.
Stap 1 Bedenk: wat is het doel van het project?
Het kan zijn dat je met de klas een project bedenkt. Maar meestal krijg je een opdracht. Als je op vakantie gaat, bepaal je eerst je doel: waar ga je naartoe? En daarna bepaal je pas hoe je daar komt? Ga je met de auto, de fiets of het vliegtuig.
En als je met de fiets of de auto gaat: welke route neem je? Zo is het ook met een project. Een doel kan zijn: ‘We gaan een klassenfeest organiseren?
Een doel is iets wat je wil bereiken. Waar wil je met z’n allen bereiken?.
Bijvoorbeeld: ‘Het oel is een klassenfeest te organiseren’.
Als je je doel SMART maakt, maak je duidelijker wat jullie precies willen bereiken. Elke letter van SMART geeft aan hoe je dat doel duidelijker kunt krijgen. Daarmee maak je voor iedereneen duidelijk wat je wil bereiken.
S staat voor Specifiek. Dat betekent dat je concreet opschrijft wat je doel is.
M staat voor Meetbaar. Dat beteent dat je kan meten of je het doel hebt gehaald.
A staat voor Acceptabel voor iedereen. Iedereen is het ermee eens.
R staat voorrealistisch
T staat voor tijdgebonden. Er is een deadline.
OPDRACHT 1. Wat is jullie doel?
Bespreek met elkaar wat jullie doel is.
Noteer dat in je notitieboekje of bewaar het op je computer.
Stap 2 Maak een plan
Als je weet wat het doel is, kan je gaan bepalen hoe je daar ‘komt’. Wat moet er allemaal gedaan worden om dat doel te bereiken. Dat kan je verdelen in taken. Wie gaat wat doen?
Als je taken gaat verdelen, bespreek dan met elkaar wie welke taak oppikt. Wat zijn de taken en wie gaat welke taak doen? En waarom? Heeft hij daar ervaring mee, wil hij het graag of is hij er gewoon goed in?
Een Plan van Aanpak (PvA) is een kolommenschema. Dat bestaat uit rijen (horizontaal) en kolommen (verticaal). In de bovenste rij zet je de categorieën, en in de kolommen vul je de taken in.
Bijvoorbeeld:
| Wat? | Wie? | Waar? | Wanneer? | Hoe? |
Hoe werkt dat?
1. In de bovenste rij van de eerste kolom zet je de taken: wat moet er gebeuren of gedaan worden? Deze zet je in chronologische volgorde. Dus in volgorde van tijd. Wat als eerste gedaan moet worden staat bovenaan. Etc.
2. Daarna vul je de andere kolommen in: wie pakt die taak op? Waar, wanner en hoe voert hij die uit.
OPDRACHT 2. Hoe verdeel je de taken?
Maak een Plan van Aanpak
Daarin zet je bijvoorbeeld: wat er moet gebeuren, wie wt doet, hoe hij het doet, wanneer het klaar moet zijn, etc.
Wat heb je geleerd?
Deze les heb ik geleerd hoe ik een PvA kn maken.
Challenge
Als je PvA klaar is, hou je je daar dan aan: doe wat je moet doen volgens afspraak.
Overleg daar regelmatig over. De volgende les bespreken we hoe het is gegaan. De volgnde mentorles komen we daar op terug.
EXTRA OPDRACHT
Mocht je iets niet begrijpen, schrijf die vraag dan op in je agenda op de dag dat je het wil gaan vragen.
Zet erbij aan wie je het wil vragen.
Inhoudsopgave
Les 1. Hoe bereid je je voor?
Les 2. Hoe voer je het plan uit?
Les 3. Hoe is het gegaan?
Terug naar hoofdpagina