Profielkeuze HV 3
Les 1 Waar droom ik van?
Vroeger droomden we allemaal dat we later politieman, brandweerman of voetballer zouden worden. Van welk beroep droom je nu?
Doe je ogen dicht, droom weg., want in een droom kan namelijk alles. Dan kun je bijvoorbeeld jezelf zien als chirurg. Of als autocoureur, politieagent of brandweerman, maar ook piloot is in een droom geen probleem. Dat is het leuke van dromen…
Na deze les weet je van welk beroep je droomt.
BEKIJK DE VIDEO
Schijf goede tips op in je notitieboekje.
Of maak een mapje op je computer. Bedenk een titel voor het mapje, bijvoorbeeld: ‘Droombaan’.
Stap 1 Kies een droombaan
Een droombaan is een baan die je na je studie heel graag zou hebben. Heb je op dit moment al zo’n droombaan in je hoofd, eentje die past bij wat je nu studeert. Is dat dezelfde baan als je vader of moeder heeft, of iets totaal anders. Ken je iemand die zo’n baan heeft?
Opdracht 1. Wat is je droombaan?
Schrijf op waar een droombaan aan moet voldoen.
Bijvoorbeeld: ik wil graag werken met leuke mensen. Ik wil iet te ver weg werken van mijn huis. Ik wil het liefste een baan waar ik zelf mag kiezen welke kleren ik aandoe. Ik wil graag een baan waar ik mijn creativiteit kan uiten.
Zet dat in je notitieboekje of maak een mapje op je computer: ‘Profielkeuze HV 3. En maak een mapje bij elk hoofdstuk. Bijvoorbeeld: ‘Droombaan’. Zo kan je de informatie gemakkelijk terugvinden.
Welke baan wil jij het liefste na je studie? Waarschijnlijk werk je na je studie nog minstens 40 jaar van je leven. Gemiddeld werk je 8 uur per dag. Dat betekent dat je een groot deel van je leven bezig bent met je werk. Dan is het best belangrijk om een baan te hebben waar jij plezier in hebt.
Opdracht 2. Wat vind jij een droombaan?
Schrijf 3 banen in je notitieboekje waar jij waarschijnlijk plezier in hebt.
Leg uit waarom jij denkt dat je met pleier naar je werk gaat.
Bijvoorbeeld: Ik ga met plezier naar mijn werk als ik buiten mag werken, met dieren mag werken, iemand mag helpen, iets mag repareren, haar mag knippen, dieren mag trainen, een uniform mag dragen of van 9 tot 5 mag werken,
BANEN EN BEROEPEN
Er zijn duizenden beroepen. Voor een deel zijn dat andere beroepen dan vroeger. Dat komt omdat de wereld verandert. Vroeger kenden we nog geen ICT, games, mobiele telefoons of harttransplantaties. Hoe kies je daar nu een beroep uit dat bij je past?
Opdracht 3. Wat vind jij écht belangrijk aan een baan?
Schrijf de 3 belangrijkste dingen in je notitieboekje waaraan jouw toekomstige baan moet voldoen.
Hieronder staan tien dingen die jij mooi of misschien niet mooi vindt bij een baan. Welke drie banen passen het beste bij jou? Maak daar een top-3 van. Je mag ook zelf drie banen bedenken die je later heel graag zou hebben of daar een combinatie van maken. Leg uit waarom je dat goed bij jou vindt passen.
- Creativiteit
- Onderzoek
- Samenwerken
- Veranderen
- Niet teveel zitten
- Iets betekenen
- Mijn hersenen gebruiken
- Schrijven
- Gezondheid
- Leren
Opdracht 4. Waaraan moet een baan zeker voldoen?
Maak een lijstje van banen die daaraan voldoen.
Schrijf op een apart blaadje minstens 5 banen die daarbij passen. En leg uit waarom jij dit denkt dat je dan met plezier naar je werk zuly gaan. Noteer dat in je notitieboekje of sla het op in het mapje ‘Droombaan’ op je computer.
JE NETWERK
Je netwerk is de groep mensen die je daarbij kan helpen.
Bijvoorbeeld om je informatie te geven. Maar ook om je te helpen een goede baan te vinden. Denk aan je ouders, vrienden, familie, buren of mensen die zij weer kennen.
Wat heb je geleerd?
Deze les heb ik geleerd wat ik belangrijk vindt aan een baan.
De Challenge
Welk beroep past misschien wel goed bij jou?
GA NAAR WWW.BEROEPENINBEELD.
Daar vind je veel filmpjes over beroepen. Misschien zitten daar ook beroepen tussen war je niet aan hand gedacht. Praat hierover met je netwerk. Wat vinden zij dat bij jou past? Misschien kom je nog op andere ideeën. Pas dan je beroepen aan in je notitieboekje.
Bespreek dit met je ouders.
Als ze goede banen noemen, schrijf die dan in je notitieboekje. Maak achter in een gedeelte ‘Banen en profielen’.
Les 2 Wie ben ik?
Je bent een jaar of 13, 14. Ken jij je zelf inmiddels een beetje? Weet jij bijvoorbeeld wat je wil, wat je vervelend vind en hoe je zou reageren als iemand iets deed wat jij niet leuk zou vinden? En weet jij wat je belangrijk vindt in het leven of waarom je (on)gezond eet?
Dat zijn belangrijke vragen. De vorige les ging het nog over dromen, maar deze les gaat – net als de andere lessen – écht over jou! Of liever over jou toekomst. Natuurlijk duurt het nog even voor je aan het werk zal gaan, maar het is goed om daar nu al over na te denken. Want in leerjaar 3 ga je een belangrijke keuze maken.
Welk profiel wil je gaan volgen? Op basis daarvan kies jij een vakkenpakket en dat heeft weer invloed op je resultaten bij het eindexamen. Niet dat dat in beton is gegoten, maar daarmee ga je al een beetje je toekomst in. Weet jij bijvoorbeeld wat je na deze studie wil gaan doen?
Na deze les weet je beter meer over jezelf.
Reflecteren
Heb je thuis besproken welke banen zij wel bij je vinden passen?
Hoe ging dat? Hadden ze nog goede ideeën? Mocht je nog interessante banen horen, noteer die ook in je boekje.
Bekijk de video
Zet eventueel interessante tips in je notitieboekje of verzamel die in het mapje ‘Wie ben ik?’
Mocht je opeens tegen een baan aanlopen waar je warm van wordt, noteer die dan achter in je boekje bij ‘Banen en profielen’.
Stap 2 Vraag je af: wie ben ik?
Heb je je dat weleens afgevraagd? Waarom je soms zo raar doet? Of waarom je de vrienden hebt die je hebt? Zo zijn er nog honderden vragen over jezelf te vertellen. Des te beter je jezelf kent, hoe groter de kans dat je de goede keuzes maakt. Je kan bijvoorbeeld ook kunnen bedenken: ‘Waar zou ik graag beter in willen worden?’ Best een goed idee.
Misschien wil je wel de beste varaint van jezelf worden. Zo iemand die streeft naar een gezond leven, een gezond eetpatroon en misschien wel iemand die daar over wil vloggen. Ook wat dat betreft zijn er vele wegen die naar Rome gaan. Welke weg wil jij bewandelen?
Deze les gaat over wie je bent; waar geloof je in, wat is je passie en welke karaktereigenschappen bezit je? Waaraan kan je dus zien wat voor type je bent? En welk beroep daar eventueel bij hoort.
Opdracht 2. Weet jij wat voor karakter je hebt?
Noteer een positieve en een negatieve karaktertrek van jezelf.
Zet die twee karaktertrekken in je notitieboekje of bewaar die informatie in een mapje ‘Wie ben ik?’ op je computer. En bedenk wat dat kan betekenen voor een vriendschap of een sollicitatiegesprek.
Om een goede keuze te kunnen maken, is het handig als je weet wat voor karakter je hebt? En welke indruk je daarmee op andere mensen maakt? En hoe jij reageert op andere mensen?
Een negatieve karaktertrek kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat sommige mensen je minder aardig vinden. Een positieve karaktertrek kan er juist voor zorgen dat je positief overkomt. Dat kan je helpen in de liefde, maar ook bij je loopbaan.
Overleg daarover met iemand die je vertrouwt.
Pas je mening eventueel later aan.
De vorige opdracht ging over de indruk die jij maakt op andere mensen. Wist je dat mensen die positief denken, mensen aantrekken die ook positief denken. Andersom trekken mensen wiens glas half leeg is mensen aan die negatief denken.
Opdracht 3. Welk soort mensen trek je liever aan?
Bedenk hoe je ervoor kan zorgen dat je mensen aantrekt die je energie geven.
Schrijf dat in je notitieboekje of bewaar het op je computer.
Wat heb je geleerd?
Na deze les weet je misschien beter hoe je in elkaar zit. En wat je eventueel kan doen om mensen aan te trekken die je echt leuk vindt..
Challenge
Ga op zoek naar de beste versie van jezelf.
Praat er eens over met je beste vriend of vriendin of je ouders. Wat kan jij aan jezelf doen om positiever over te komen?
Les 3 Wat kan ik?
De vorige les ging over wie jij bent. Deze les gaat over waar jij goed in bent. Dat kunnen heel veel dingen zijn. Misschien ben je goed in sporten, schaterlachen, een toets leren of leidinggeven. Vaak kan je dat zien door te kijken naar wat je allemaal doet: wat daarvan doe je beter dan gemiddeld?
Als je dat weet, kan je misschien al een beetje vooruit kijken.
Na deze les weet je beter waar je goed in bent?
Reflecteren
Jullie zouden nadenken over wat je aan jezelf zou willen verbeteren.
Hoe is dat gegaan? Wie wil daar iets over zeggen?
Bekijk de video
Noteer je eventuele tips in je boekje of op je computer in het mapje: ‘Wat kan ik?’
Stap 3 Vraag je af: waar ben ik goed in?
Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je goed bent in koken en bakken, dan is chefkok misschien iets voor je. Of je bent goed in een bepaald vak, dan zou je je daar meer in kunnen verdiepen.
Maar het kan ook zijn dat je iets hebt gedaan buiten schooltijd, waar jij of je ouders trots op zijn. Misschien dat je daar na je studie een beroep van kan maken.
Opdracht 1. Waar ben je goed in?
- Geef onderstaande werkwoorden een cijfer van 1 tm 10
10 is ‘daar ben ik heel goed in’. 1 is ‘daar ben ik totaal niet goed in.’ De laatste twee mag je zelf invullen (waar ben jij goed in?).
Ik ben (goed in)..
- Presenteren
- Tuinieren
- Tekenen
- Verkopen
- Oplossingen vinden
- Uitleggen
- Keuzes maken
- Haar knippen
- Acute problemen aanpakken
- Communiceren met mensen
Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?
- Vertel: wat doe je in je vrije tijd?
Noteer dat in je boekje of op je computer.
Hoe kan een woordnet daar een rol bij spelen?
Een woordnet kun je gebruiken om overzicht te krijgen.
Bijvoorbeeld: van alles wat iets over jou zegt. In het midden zet je jouw naam. Of ‘Ik ben’. Daarom heen (cirkel) zet je alle informatie. In dit geval kan je daar banen aan koppelen.
Heb je een passie?
Een passie is iets wat je met hart en ziel doet. Je doet (en laat) er alles voor.
Bijvoorbeeld: muziek maken, sporten, anderen helpen, vliegtuigen spotten, etc.
Een woordnet
Alles wat je met passie doet, doe je met plezier en daar zet je je 100% voor in. Hoe mooi zou het zijn als je daar later je beroep van kan maken.
Opdracht 3. Heb jij een passie?
Noteer in je boekje of op je computer wat jouw passie is.
Leg uit waar die passie vandaan komt en hoe groot die passie is. Wat zegt dat over jou?
Als je een passie hebt, zegt dat heel veel over jou. Dat zegt bijvoorbeeld dat je daar helemaal voor gaat. Je besteedt daar veel tijd aan en je doet je uiterste best om er het beste uit te halen.
Bijvoorbeeld: wielrennen, schrijven, raadsels oplossen, kruiswoordpuzzels invullen, in de tuin werken, nieuwe dingen bedenken, vliegeren, schoonmaken, etc. Als je daar je baan van zou kunnen maken, zou dat erg leuk zijn toch?
Als jij of één van je ouders ergens trots op bent, kan dat ook wijzen op iets wat je heel goed deed. Ik was bijvoorbeeld apatrots op mijn dochter toen ze direct ingreep toen mijn vrouw in de badkamer was uitgegleden en bewusteloos op de grond lag. Het gebeurde in Egypte en zij regelde meteen alles.
.
Opdracht 4. Waar ben je trots op?
Denk terug in de tijd: waar was jij of je ouders ooit heel trots op?
Vond je toen dat je iets goed deed? Noteer dat in je notitieboekje of in bewaar het een mapje op je computer: ‘Wat kan ik?’ Bedenk daar beroepen bij.
Maak daarmee jouw woordnet
- In het middelste vakje staat ‘IK BEN’
- In de eerste rij daar omheen (in een cirkel) zet je 4 vakjes waarin je schrijft waarin je goed bent.
- In de tweede cirkel daar omheen zet je 3 vakjes. Daarin schrijf je wat je in je vrije tijd doet.
Voorbeeld: je hebt je oma geholpen toen ze ziek was, gesolliciteerd op een vakantiebaantje (je werd aangenomen), een 4 voor wiskunde heb je opgehaald naar een 7, en je bent opgekomen voor iemand die werd gepest. Daar kan je trots op zijn. Kan je daar een beroep bij bedenken?
|
Ik ben…
|
Welke beroepen passen daarbij?
Schrijf die in je boekje achterin bij ‘Banen en profielen’.
Wat heb je geleerd?
Deze les leerde je meer over waar je goed in bent. Wat heeft dat te maken met het beroep dat je straks gaat kiezen?
CHALLENGE
Bespreek je woordnet de komende week met je ouders.
Pas eventueel de banen in je profielschema voor deze les aan. De volgende les komen we daarop terug.
Les 4 Wat vind ik leuk?
Wat vind je leuk vindt? Als je dat weet, kan je dat gebruiken bij het kiezen van een baan. Je zit tenslotte zo’n 40 uur in de week op je werk. Dan zou het heel vervelend zijn als je met tegenzin naar je werk gaat.
Feedback geven is tegen iemand zeggen wat je vindt van wat hij heeft gezegd of heeft gedaan. Doe dat zo dat de ander er iets aan heeft.
Na deze les weet je beter wat je leuk vindt aan een baan.
Reflecteren
De vorige les hebben we afgesproken dat jullie je woordnet zouden bespreken met je ouders. Wat is daar uitgekomen? Heb je daar nog iets aan gehad?
Vertel de klas wat je ouders daarover zeiden.
Heb je daar nog iets aan gehad?
Bekijk de video
Noteer goede tips in je notitieboekje of op je computer.
Stap 4 Vraag je af: wat vind ik leuk aan een baan?
Wat doe je allemaal op school? Leren, schrijven, meten, luisteren, praten, met je handen werken, gymen, pauzeren, eten, etc. Wat vind je daar leuk van? En wat vind je helemaal niet leuk?
Wat vind jij leuk? Wat doe je allemaal in je leven? Wat vind je daar leuk aan en wat niet? Als je moet kiezen tussen leuk en niet leuk, wat kies je dan? ‘Leuk’ natuurlijk! Maar wat nu als je iets moet doen wat je niet leuk vindt?
Opdracht 1. Wat vind je leuk of niet leuk op school?
Noteer dat in je notitieboekje of op de computer
Je leven bestaat gelukkig niet alleen uit school. Wat doe je als je niet op school zit? Na schooltijd of in het weekend. Doe je aan sport, heb je een hobby, vind je gamen leuk of moet je klusjes doen in huis?
Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?
Noteer dat in je notitieboekje of op de computer
Uiteindelijk ga je na het de Havo of vwo een vervolgopleiding doen. Of je gaat direct aan het werk. Wat vind je daarvan het leukste? Waarom vind je het één leuker dan het ander?
Opdracht 3. Heb je wel eens gewerkt?
Wat vond of leek je daar leuk aan?
En wat juist niet? Schrijf dat op in je notitieboekje of op de computer.
Hoe zou jij het bijvoorbeeld vinden als je een uniform moest dragen (politie), je met je handen moet werken, je buiten moet werken, je elke dag hetzelfde moet doen of veel verdient.
Noteer in je notitieboekje of op de computer twee rijtjes: ‘Leuk’ en ‘Niet leuk’. Alles wat je leuk vindt, zet je onder ‘leuk’. Wat je niet leuk vindt, schrijf je onder ‘Niet leuk’. Bedenk zoveel mogelijk dingen.
Wat is je netwerk?
Een netwerk bestaat uit mensen die jou kunnen helpen bij het maken van een keuze. Of bij het krijgen van een baan die bij je past.
Opdracht 4. Wat wil je na je studie gaan doen?
Ga met 4 klasgenoten zitten
Probeer je in te leven in je klasgenoten.
Wat is feedback?
Geef positieve feedback.
Dat is informatie waar diegene iets aan heeft. En neem suggesties van je klasgenoten serieus.
Voorbeeld: ‘Misschien moet je iets met mensen gaan doen. De manier waarop jij vorige week die ruzie suste, vond ik een heel mooi voorbeeld. Je zei precies de juiste dingen.’ Je kunt natuurlijk ook een beroepentest doen. Of een LOB-taak.
Wat heb je geleerd?
Deze les heb je geleerd wat je leuk vindt.
CHALLENGE
Denk de komende week nog eens na over wat je op het werk leuk zou vinden. En vooral wat je eigenlijk helemaal niet leuk vindt.
Zoek 5 banen uit. Wat vind je niet leuk en waarom?
Zet dat in je boekje. Bespreek het thuis.
Extra opdracht
Denk na over de vraag: welk beroep past helemaal niet bij mij?
En waarom niet. Noteer dat in je boekje.
Les 5 Wat voor beroep past bij mij?
Eigenlijk is deze les het fundament voor een goede profielkeuze. Want uiteindelijk draait alles om de baan die je na deze studie of een vervolgstudie, zult kiezen. Je bent immers het grootste gedeelte bezig met werken. Nou is het ook weer niet zo dat je je hele leven dezelfde baan hoeft te hebben. De meeste mensen hebben tijdens hun leven meerdere banen. Als eenbaan je niet bevalt, kan je altijd nog op zoek gaan naar een baan die beter bij je past.
Na deze les weet je welke beroep goed bij je past.
Reflecteren
Julie zouden nadenken over de vraag: welk beroep of welke beroepen passen helemaal niet bij mij?
En waarom niet. Deel dat met de klas. Wie heeft tips voor je?
Bekijk de video
Noteer goede tips in je boekje of op de computer.
Of gebruik de suggesties uit dit hoofdstuk.
Stap 5 Bedenk welke baan je leuk vindt
Wat is een LOB-taak?
Om erachter te komen welk beroep goed bij je past, voer je LOB-taken uit. Dat zijn opdrachten waarin je praktijkervaringen opdoet en hierop reflecteert. Dat houdt in dat je (terug) kijkt of je het goed hebt gedaan, en of je het leuk vindt.
Bijvoorbeeld:
Bij LOB-taken, kun je denken aan een dag meelopen op het werk van je vader of moeder. Maar je kan ook een interview doen met iemand die jouw droombaan heeft. Of iemand die na deze school zijn droombaan heeft gekregen. Je kan ook een sollicitatiebrief schrijven voor de baan die je graag wil hebben, etc.
Portfolio
Een portfolio is een map waarin je documenten verzameld. Dat kan een kartonnen map zijn, of een digitale map.
Opdracht 1. Welke banen lijken je leuk?
Vorm groepjes van 4.
Bedenk samen zoveel mogelijk interessante banen. Bewaar die in je portfolio. Alles wat je op school hebt geleerd over je toekomst, stop je in je portfolio. Zo kom je er steeds meer achter wat echt goed bij je past.
Een LOB-taak?
Door een LOB-taak kom je erachter:
• welk beroep je leuk vindt
• welke kanten van dat beroep niet zo leuk zijn
• wat je in je portfolio kunt stoppen
• op welke loopbaanvragen je nog meer antwoord wilt vinden.
LOB-taken helpen je om een beroepskeuze te maken.
Bijvoorbeeld door ervaring op te doen tijdens een stage. Of door kennis te verzamelen door iemand te interviewen.
Opdracht 2. Over welk beroep zou jij wel iets meer willen weten?
Bedenk welke praktijkopdracht je daarvoor kunt gebruiken.
Bespreek dat met je ouders en met je decaan.
Loopbaandossier
Alles wat je hebt meegemaakt, en wat je waardevol vindt, bewaar je in je loopbaandossier. Dit kan een (foto)verslag zijn, een filmpje, collage, sollicitatiebrief etc. Zo kun je ‘bewijzen’ dat je je hebt verdiept in een beroepskeuze. Zie verder bijlage 2
Natuurlijk wil je ook wel een salaris krijgen als je werkt. Vaak denken mensen dat je als vmbo-er niet zo veel kunt verdienen. Maar dat is lang niet altijd waar.
Opdracht 3. Wat is je favoriete baan?
Bedenk wat je daar al van weet.
Wat vind je leuk en wat niet zo leuk? Pas eventueel je top-5 aan.
Wat houdt het beroep of de richting waar je aan denkt precies in. Wat doe je de hele dag? Wat is leuk, en wat niet zo leuk? En hoeveel kans is er dat je die baan ook echt krijgt?
Bijvoorbeeld: je dacht dat werken met bejaarden leuk was. Maar je wist niet welke ‘vieze’ dingen daarbij komen kijken, zoals wassen, verschonen, billen afvegen.
Wat heb je geleerd?
Deze les leerde je hoe je erachter kan komen welk beroep goed bij jou past.
Challenge
Bespreek dit met je ouders of andere mensen die je goed kennen.
Je hebt in de eerste 5 lessen veel beroepen of richtingen bedacht. Welke 5 beroepen passen het beste bij je? Maak daar een top-5 van. Noteer dat in je portfolio of je loopbaandossier.
Les 6 Welk profiel kies ik?
Een profiel zegt iets over jou! Namelijk wie je bent, waar je goed in bent, wat je leuk vindt en wat voor werk je zoekt. Het is de basis voor havo en vwo leerjaar 3. Dat kan je helpen om zicht te krijgen op de baan die je graag wil hebben en de studie die daaran vooraf gaat. Dus als je weet welke baan jij graag wilt, kun je kijken welk profiel daarbij past.
Na deze les weet je wat je moet doen om een goede profielkeuze te maken.
Reflecteren
De vorige les spraken we af dat jullie nog eens goed zouden kijken naar wat je later wil worden. Welke beroepen passen het beste bij je?
Vertel de klas wat je wilt worden.
Leg ook uit waarom je denkt dat dat beroep goed bij je past. De rest van de klas geeft feedback. Bedenk samen beroepen (of een richting) waarvan jullie vinden dat die bij een bepaalde klasgenoot passen, of juist niet. En waarom?
Bekijk de video
Schrijf in je notitieboekje: welke tips je wil onthouden?
Of bewaar die in een mapje op je computer, zodat je die terug kan vinden als jehet nodig hebt. Schrijf die op in je portfolio of in je Loopbaandossier.
Stap 6 Bepaal: welk profiel past bij mij?
Hoe werkt het?
- Zoek uit uit welke profielen je kunt kiezen.
- Zoek uit wat elk profiel inhoudt.
- Zoek uit wie je bent.
- Zoek uit waar je goed in bent.
- Zoek uit wat je leuk vindt.
- Zoek uit welke baan of richting het beste bij je past.
- Zoek uit welke studie je daar voor nodig hebt (zie opleidigenvergelijker)
- Zoek uit waaruit je vakkenpakket voor het derde jaar bestaat
1. Uit welke profielen kan je kiezen?
Je kan kiezen uit 4 profielen. namelijk:
- Cultuur en Maatschappij (C&M),
- Economie en Maatschappij (E&M),
- Natuur en Techniek (N&T)
- Natuur en Gezondheid (N&G).
2. Wat houdt elk profiel in?
Je kan dus kiezen uit 4 profielen. Je kan ze om te beginnen onderverdelen in alpha en betaprofielen. ‘Beta’ houdt in dat het gaat over exacte vakken, zoals wiskunde, natuurkunde, biologie. Als je houdt van onderzoek, wetenschap, etc. dan zou je kunnen kijken naar de Beta-profielen: ‘Natuur & Techniek’ en ‘Natuur & Gezondheid’.
Alpha vakken zijn vakken die vooral vragen stellen bij Cultuur & Maatschappij’ en ‘Economie & Maatschappij’.
Cultuur en Maatschappij (C&M)
Dit profiel is gericht op taal, communicatie, geschiedenis, kunst en maatschappelijke onderwerpen als rechten, politiek, onderwijs en hulpverlening. Doordat het zo breed is, kun je er veel verschillende richtingen mee uit.
Economie en Maatschappij (E & M)
E & M is ieen populaire profielkeuze onder vwo-leerlingen. Nadat je het vwo hebt afgerond met Economie en Maatschappij als vakkenpakket, kun je verschillende beroepen uitoefenen. Zoals de naam al zegt, staan economie en maatschappelijke vraagstukken centraal in dit vakkenpakket.
Natuur en Techniek (N&T)
Natuur en Techniek is bijna 100% exact. Het is gericht op techniek en wetenschap. Kernwoorden bij dit profiel zijn techniek, wetenschap, rekenen, informatica, technische communicatie, ontwerpen, testen, analyseren, natuur, milieu, gezondheidszorg.
Natuur & gezondheid (N&G)
N & G is ook grotendeels exact. Natuur en Gezondheid. Het is vooral gericht op de natuurwetenschappen, zoals biologie, scheikunde, wiskunde en natuurkunde. Daarnaast volg je vakken als Nederlands.
3. Wie ben je?
‘Wie ben je?’ is een belangrijke vraag. Uiteindelijk wijst je profielkeuze ook naar wat voor werk je na je studie gaat doen. Die twee moeten het liefst wel met elkaar matchen. Als dat niet matcht, word je waarschijnlijk niet zo gelukkig van die baan.
Opdracht 1. Noteer wat je belangrijkste karaktereigenschappen zijn.
Schrijf die in je notitieboekje of in het mapje ‘Profielkeuze’ op je computer.
Je kunt ook opschrijven wat je belangrijk vindt.
Bijvoorbeeld: duurzaamheid, gelijke rechten voor mannen en vrouwen, vrede, gezondheid, een scoon milieu, etc. Zie daarvoor het mapje ‘Wie ben ik?’ Als je ‘duurzaamheid’ belangrijk vindt, kan dat meewegen als je een profiel kiest.
4. Wat kan je?
Als je een profiel kiest wijst het meestal ook in de richting van een baan. Voor elke baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. Dan is het verstandig om een baan te kiezen die matcht met de vaardigheden die je bezit. Dus waar je goed in bent.
Opdracht 2. Noteer waar je goed in bent.
Schrijf die in je notitieboekje of in het mapje ‘Profielkeuze’ op je computer.
Je kunt ook opschrijven wat je daarin belangrijk vindt.
Bijvoorbeeld: als je goed bent in inden laten, heeft dat weinig te maken met een baan die je graag wil hebben. Maar als je weet dat je goed bent in rekenen of wiskunde heeft dat wel invloed op je profielkeuze. Dat geldt ook als je goed bent in onderzoek.
5. Wat vind je leuk?
Dat lijkt niet zo belangrijk, maar is misschien wel het belangrijkste. Je bent werkt immers zo’n 40 jaar van je leven. Dan is het wel belangrijk dat je met plezier naar je werk gaat. Maar wat vind je zo leuk dat je daar je werk van wil maken. En kan je daar ook geld mee verdienen?
Bijvoorbeeld: een sport, schrijven, acteren, onderzoek, etc., Dat kan allemaal een richting uitwijzen als het over een profielkeuze gaat. Als je schrijven leuk vindt, kan je natuurlijk schrijver worden, tenminste als je dat zo goed kan dat je boeken gaan verkopen. Als je goed bent in onderzoek, kom je al gauw terecht bij een exact (Beta) profiel. ‘Exact’ wijst in de richting van wiskunde, natuurkund, techniek, etc.
Als je weet welke baan bij je past, is het nog gemakkelijker om een profiel te kiezen. Als Een baanJe kiest straks voor een profiel. Dat is een belangrijke keus. Maar weet dat 50% van alle mensen later een andere keuze maakt. Je kan altijd een andere keuze maken.
Wat houdt het beroep of de richting waar je aan denkt precies in. Wat doe je de hele dag? Wat is leuk, en wat niet zo leuk? En hoeveel kans is er dat je die baan ook echt krijgt?
Bijvoorbeeld: je dacht dat werken met bejaarden leuk was. Maar je wist niet welke ‘vieze’ dingen daarbij komen kijken, zoals wassen, verschonen, billen afvegen. Dus zoek uit wat je allemaal moet doen, als je die baan hebt. Weeg positieve dingen af tegen de negatieve dingen. Als je billen afvegen niet echt het leukste deel van dat werk vindt, maar niet onoverkomelijk, kan je voor die baan kiezen. Maar als je je dat probeert in te denken, en ervan walgt, kan je beter een andere keuze maken.
Opdracht 4. Welke baan vind je leuk?
Schrijf alle baans die je leuk vindt in je notitieboekje of in het mapje op je computer.
Lees de lessen nog eens door. Wat wil je heel graag bij een baan en wat absoluut niet? Zet alle banen die je leuk lijken op een rijtje en zoek uit welke baan het beste matcht; voldoet het aan je wensen en aan wat je absoluut niet wil? Denk daarbij ook aan de opleiding.
Natuurlijk zijn er nog tal van factoren die bepalen hoe leuk je een baan vindt, waar je weinig invloed op uit kan oefenen. Je wil graag met eluek mensen werken, maar die heb je niet voor het uitkiezen. Waar je wel invloed op uit kunt oefenen, is de afstand van jouw huis naar je werk, de werkuren en -tijden, etc.
Doe hetzelfde bij de twee banen die uiteindelijk overblijven. Als je iets superbelangrijk vindt, houd daar dan aan vast. Ook als andere mensen iets anders zeggen.
Is het realistisch?
Realistisch betekent dat wat je graag wil ook echt kan. Stel: je wil dierenarts worden, dan kan je dat op de Havo en het VWO leren. Maar wil je piloot worden en je hebt slechte ogen, dan is dat vrijwel onmogelijk.
Dromen is bedoeld om een richting aan te geven. Als je droombaan te hoog gegrepen is, ga dan eens kijken welke beroepen nog meer met dat beroep te maken hebben.
Bijvoorbeeld: profvoetballer lukt niet, trainer misschien wel.
Wat heb je geleerd?
Na deze les weet je precies welke baan je graag zou krijgen.
Challenge
Zoek samen met je ouders uit…
- Welk beroep past het beste bij jou?
- Welk diploma moet je dan halen op deze school?
- Welke studie of studies moet je dan na deze school volgen?
- Welke eisen worden daaraan gesteld?
- Welk profiel hoort daarbij?
Les 1 Welk vakkenpakket kies je?
Deze les kies je een vakkenpakket bij het profiel dat je hebt gekozen. Bij elk profiel kies je een vakkenpakket. Sommige vakken hoef je niet te kiezen, dat is al voor je gedaan. Andere vakken mag je wel kiezen. Hoe zit dat precies?
Na deze les weet je welke vakken bij dat profiel horen.
Reflecteren
De vorige week kregen jullie de opdracht om een definitieve profielkeuze te maken. Is dat gelukt?
Wie wil daar iets over zeggen? Wie heeft zijn profiel nog niet gekozen? Welke vragen heb je daar nog bij?
Bekijk de video
Noteer goede tips in je notitieboekje
Een aantal scholen biedt keuzeprogramma’s aan die specifiek gericht zijn op doorstroom naar een MBO-opleiding. Dit zijn sport, dienstverlening, veiligheid, kunst & cultuur& cultuur en ICT. Informeer bij je mentor of decaan hoe dit bij jou op school geregeld is.46
Stap 7. Welke vakken krijg je in de derde klas?
Stap 7 Welk vakkenpakket kies je?
Je kunt kiezen tussen vier profielen Cultuur en Maatschappij (C&M), Economie en Maatschappij (E&M), Natuur en Techniek (N&T) en Natuur en Gezondheid (N&G). Maar hoe zijn deze profielen opgebouwd? En welke vakken horen bij welk profiel? Dat vind je hieronder.
Gemeenschappelijk deel: verplichte vakken
Er is een gemeenschappelijk deel dat voor alle profielen gelijk is. In dit deel zijn vakken opgenomen die voor iedereen verplicht zijn.
De volgende vakken zitten op de havo in het gemeenschappelijk deel:
- Nederlandse taal en literatuur
- Engelse taal en literatuur
- Maatschappijleer
- Culturele en kunstzinnige vorming (CKV)
- Lichamelijke opvoeding
- Rekenen (voor leerlingen die geen wiskunde hebben)
De volgende vakken zitten op het vwo in het gemeenschappelijke deel:
- Nederlandse taal en literatuur
- Engelse taal en literatuur
- Maatschappijleer
- Culturele Kunstzinnige Vorming (CKV) (niet op het gymnasium)
- Lichamelijke opvoeding
- Tweede vreemde taal, op het gymnasium is dit Latijn of Grieks
Noteer deze vakken in je portfolio en je agenda.
Verplichte vakken binnen je profiel
Per profiel zijn er vakken die je verplicht volgt.
Havo:
- C&M: Geschiedenis en een moderne vreemde taal
- E&M: Wiskunde A of Wiskunde B, Economie en Geschiedenis
- N&G: Wiskunde A of Wiskunde B, Biologie en Scheikunde
- N&T: Wiskunde B, Natuurkunde en Scheikunde
Vwo:
- C&M: Wiskunde C of Wiskunde A of Wiskunde B en Geschiedenis
- E&M: Wiskunde A of Wiskunde B, Economie en Geschiedenis
- N&G: Wiskunde A of Wiskunde B, Biologie en Scheikunde
- N&T: Wiskunde B, Natuurkunde en Scheikunde
Noteer deze vakken in je portfolio en je agenda
Profielkeuzevakken
Naast de verplichte vakken die je per profiel moet volgen, zijn er ook profielkeuzevakken. Deze vakken mag je zelf kiezen binnen je profiel. Het aanbod verschilt per school. Vraag daarom altijd na wat er op jouw school mogelijk is. Je kiest minimaal één profielkeuzevak waarin je examen doet. Voor het profiel Cultuur en Maatschappij geldt dat je één van de aangeboden culturele profielkeuzevakken én één van de aangeboden maatschappelijke profielkeuzevakken kiest.
Havo
- C&M: één cultureel én één maatschappelijk profielkeuzevak:
Culturele profielkeuzevakken: Kunst (Kunst Algemeen, Beeldende Vormgeving, Dans, Drama, Muziek)*, Filosofie, Duits, Frans, Spaans, Russisch, Italiaans, Arabisch, Turks, Friese Taal en Cultuur
Maatschappelijke profielkeuzevakken: Aardrijkskunde, Economie, Maatschappijwetenschappen - E&M: Aardrijkskunde, Bedrijfseconomie, Maatschappijwetenschappen, Duits, Frans, Spaans, Russisch, Italiaans, Arabisch, Turks, Friese Taal en Cultuur
- N&G: Aardrijkskunde, Natuurkunde en Natuur, Leven en Technologie, Onderzoek en Ontwerpen
- N&T: Biologie, Informatica, Wiskunde D, Natuur, Leven en Technologie, Onderzoek en Ontwerpen
Vwo
- C&M: één cultureel én één maatschappelijk profielkeuzevak:
Culturele profielkeuzevakken: Kunst (Kunst Algemeen, Beeldende Vormgeving, Dans, Drama, Muziek)*, Filosofie, Duits, Frans, Spaans, Russisch, Italiaans, Arabisch, Turks, Chinese Taal en Cultuur, Friese Taal en Cultuur, Latijnse Taal en Cultuur, Griekse Taal en Cultuur
Maatschappelijke profielkeuzevakken: Aardrijkskunde, Economie, Maatschappijwetenschappen - E&M: Aardrijkskunde, Bedrijfseconomie, Maatschappijwetenschappen, Duits, Frans, Spaans, Russisch, Italiaans, Arabisch, Turks, Chinese Taal en Cultuur, Friese Taal en Cultuur
- N&G: Aardrijkskunde, Natuurkunde en Natuur, Leven en Technologie, Onderzoek en Ontwerpen
- N&T: Biologie, Informatica, Wiskunde D en Natuur, Leven en Technologie, Onderzoek en Ontwerpen
* Kunst Algemeen is onderdeel van de kunst specifieke vakken. Kunst Algemeen kan op zichzelf gevolgd worden, maar is te smal om het keuzedeel volledig te vullen. Daarom moet het worden aangevuld met een kunst specifiek vak of een van de andere profielkeuzevakken. De school kan er ook voor kiezen om niet het vak Kunst aan te bieden, maar de oude vakken Tekenen, Muziek, Handvaardigheid of Textiele Vormgeving.
Noteer de vakken die voor jou tellen in je portfolio en je agenda.
Vrije deel
Buiten je profiel is er ook nog het vrije deel. Hierin kun je kiezen uit alle vakken die je school aanbiedt. Dit hoeft dus niet bij je profiel aan te sluiten, maar kan iets zijn dat je heel erg leuk of interessant vindt. De mogelijkheden verschillen per school. Vraag daarom bij je eigen school na welke vakken je kunt kiezen.
Zoek uit wat op jouw school mogelijk is.
Noteer deze vakken in je portfolio en je agenda.
LOB
Onder Loopbaanoriëntatie, –Ontwikkeling en –Begeleiding verstaan we het geheel van begeleiding en activiteiten waarmee de school studenten tijdens hun opleiding ondersteunt bij het leren maken van loopbaan- en studiekeuzes.
Het is voor alle vmbo-leerlingen verplicht. Van basisberoepsgerichte leerweg tot theoretische leerweg. Het heeft tot doel jou te helpen bij het ontwikkelen van zogenaamde loopbaancompetenties. Loopbaan- competenties zijn vaardigheden die jou helpen om zelf de juiste keuzes te maken. En een vaardigheid is iets wat je goed kan. Dus als je de loopbaancompetenties bezit, is het voor jou gemakkelijker om goede keuzes te maken, nu maar ook later, na het vmbo.
LOB-taak
Een LOB-taak is een taak die je helpt om een profielkeuze te maken. Je loopt bijvoorbeeld mee met iemand die jouw droombaan echt heeft. Dat kan zijn iemand die je kent, maar misschien moet je ook wel iemand zoeken. In dat geval bel je een bedrijf, maak je een afspraak met die persoon, bereid je vragen voor die je aan hem kan stellen en loop je eventueel een dagje mee. Als dat dagje achter de rug is, schrijf je je ervaringen op en slaat het op in je LOB-dossier.
Je mag zelf bepalen hoe je je ervaringen verwerkt. Je kan de meeloop dag bijvoorbeeld filmen, je kunt er een verslag van maken, je kunt het gesprek opnemen of een combinatie daarvan. Tot slot sla je je video, verslag of opname op in je portfolio. Het is goed om beelden te verduidelijken met wat je hebt ervaren en hoe je dat hebt ervaren.
1. Stage lopen
Als je stage gaat lopen, kun je zelf ervaren hoe het is om bepaald werk te doen. Het biedt je niet alleen de mogelijkheid om dingen te doen, maar ook om alle vragen te stellen die je wilt. Een stage is dus een kans om erachter te komen of de baan die je denkt leuk te vinden, echt zo leuk is. Kijk dan niet alleen naar de positieve kanten, maar ook naar de negatieve kanten; wat ervaar jij als niet zo leuk?!
Bijvoorbeeld: weinig salaris, vroeg opstaan, weinig vrijheid, steeds hetzelfde, vervelende handelingen, etc.
- Bespreek dit met je decaan
Wat moet je doen?
- Bepaal waar je stage wilt lopen. Denk daarbij aan wat je wil leren of waar je achter wilt komen.
- Maak een afspraak? Denk daarbij aan: hoe lang, wanneer beginnen en wat jewerkzaamheden zijn.
- Soms krijg je ook salaris.
NB. Vaak heeft de school al contact met bedrijven, of kan de decaan je tips en advies geven.
2. Interview doen
Door een interview te doen, Krijg je de kans om vragen te stellen. Niet alleen over het werk zelf, maar ook over opleidingseisen, opleiding en negatieve kanten.
Wie: iemand die de baan heeft die jou heel leuk lijkt, een ouderejaars, een van je ouders of een ander familielid.
Waarom: omdat diegene kennis en ervaring heeft over (bijvoorbeeld) de baan die jij graag wilt hebben.
Wat moet je doen?
- Bedenk wie wil in interviewen?
- Denk vooral na over wat je wilt weten.
- Maak aan de hand daarvan een lijst met vragen.
- Bedenk: wie wil ik interviewen (welke baan, welk bedrijf)?
- Betrek je netwerk daarbij
- Mail of bel degene die je wilt interviewen.
- Maak een afspraak (waar en welke dag en tijd).
- Maak er een verslag (met je conclusie) van en stop het in je portfolio.
3. Doe een test
Als je twijfelt over welke baan bij je past, kun je een zogenaamde beroepentest doen. Deze vind je bijvoorbeeld op het Internet.
Wat moet je doen?
- Google ‘Beroepentest’.
- Maak de test.
- Bespreek die met je netwerk.
- Bepaal welke beroepen goed bij je passen (je vindt ze leuk en je hebt de kwaliteiten).
- Gebruik die informatie om een keuze te maken (maar neem ze niet klakkeloos over; waar ben jij het mee eens?).
- Bewaar de test en jouw ervaring in je portfolio.
Loopbaandossier
Het loopbaandossier is een plek waar je alle informatie kunt opslaan die te maken heeft met jouw loopbaan. Dat kan een papieren portfolio zijn. Dan stop je alle informatie bijvoorbeeld in een map. Of een digitaal portfolio. Dan sla je alle informatie op in digitaal portfolio, of een mapje op je computer.
Loopbaanvragen
Loopbaanvragen kunnen je helpen die informatie te verzamelen. Natuurlijk verzamel je tijdens je lob-lessen, en het maken van deze lessen ook veel informatie.
Bij deze competenties horen ook loopbaanvragen:
- Wie ben ik?
- Wat wil ik?
- Wat kan ik?
- Wat voor werk past bij mij?
- Hoe bereik ik wat ik wil?
- Wie kan mij helpen?
Loopbaancompetenties
In deze lessen gaat het om 5 loopbaancompetenties:
- Motievenreflectie:
Wat vind je leuk (bij een baan), wat wil je graag (worden) en wat vind je belangrijk (in het leven)? Als je daar over nadenkt ben je bezig met motievenreflectie.
- Kwaliteitenreflectie:
Als je nadenkt over waar jij wel of juist niet goed in bent, en daarbij anderen (bijvoorbeeld je ouders) bij betrekt, ben je bezig met kwaliteitenreflectie.
- Werkexploratie:
Als je bezighoudt (nadenkt over) wat voor werk je later wil (of kan) gaan doen (waarom wel en waarom niet), dan ben je bezig met werkexploratie.
- Loopbaansturing:
Alles wat je doet om aan die baan te komen, valt onder loopbaansturing.
- Netwerken:
Als je daar andere mensen bij betrekt, ben je aan het netwerken. Bij ‘andere mensen’ kun je denken aan familie (bijvoorbeeld je ouders), vrienden of kennissen (die veel weten over die baan, of die baan zelf hebben) of mensen op school (bijvoorbeeld je decaan).
Inhoudsopgave
Les 1. Waar droom ik van?
Les 2. Wie ben ik?
Les 3. Waar ben ik goed in?
Les 4. Wat vind ik leuk?
Les 5. Wat beroep past bijj mij?
Les 6. Welk profiel kies ik?
Les 7. Welk vakkenpakket past daarbij?
BIJLAGES
Terug naar hoofdpagina