Profielkeuze vmbo TL 2
Les 1 Waar droom ik van?
Vroeger droomden we allemaal dat we later politieman zouden worden. Of brandweerman of voetballer. Hoe zit dat nu? Van welk beroep droom jij nu?
Doe je ogen dicht. Droom weg. In een droom kan namelijk alles. Dan kun je bijvoorbeeld jezelf zien als chirurg. Of als autocoureur, politieagent of brandweerman. Maar ook piloot is in een droom geen probleem. Dat is het leuke van dromen…
Na deze les weet je van welk beroep je droomt.
BEKIJK DE VIDEO
Schijf goede tips op in je notitieboekje.
Of maak een mapje op je computer. Bedenk een titel voor het mapje. Bijvoorbeeld: ‘Droombaan’.
Stap 1 Kies een droombaan
Een droombaan is een baan waar je van droomt. Dus een baan die je later heel graag wil hebben. Aan welke baan denk je nu? Is dat dezelfde baan als je vader of moeder heeft, of iets heel anders. Ken je iemand die zo’n baan heeft? Stel dat je die baan echt zou hebben, wat doe je dan de hele dag?
Bijvoorbeeld: zie je jezelf in een uniform, bestuur je een auto, werk je met een grasmaaier, ben je op een boerderij, was je bejaarden of ben je iets aan het tekenen?
Opdracht 1. Wat is je droombaan?
Wat wil je later graag wel en wat wil je liever niet bij een baan?
Bijvoorbeeld: ik wil graag werken met leuke mensen. Ik wil niet te ver weg wonen van mijn werk. Ook wil ik liever geen overall aan, vieze handen krijgen of in weer en wind buiten werken.
Zet dat in je notitieboekje of maak een mapje op je computer: ‘Profielkeuze vmbo TL 2. Of maak een mapje bij elk hoofdstuk. Zo kan je het gemakkelijk terugvinden.
Bijvoorbeeld: ‘Droombaan’.
Opdracht 2. Wat vind jij een droombaan?
Schrijf 3 droombanen in je notitieboekje.
Of sla deze informatie op op je computer, in het maapje ‘Droombaan’.
Bijvoorbeeld: buitenwerken, met dieren werken, iemand helpen, iets repareren, haar knippen, dieren trainen, een uniform, overdag, etc.
BANEN EN BEROEPEN
Het werk dat je kunt doen, noem je ‘een beroep’ of ‘een baan’. Kok is bijvoorbeeld een beroep, maar het is ook iemands baan.
Er zijn duizenden beroepen. Voor een deel zijn dat andere beroepen dan vroeger. Dat komt omdat de wereld verandert. Vroeger kenden we nog geen ICT, games, mobiele telefoons of harttransplantaties. Hoe kies je daar nu een beroep uit dat bij je past?
Opdracht 3. Wat vind jij écht belangrijk aan een baan?
Maak een top-10 vn de elf beroepen waar je vmbo TL voor moet hebben. Als je niet weet wat het beroep inhoudt, zoek het dan uit. Zoek ook op wat je verdient als je zo’n baan hebt.
Bijvoorbeeld: ‘Beveiliger, Verpleegster, administratief medewerker, tandarts-assistent, verkoopmedewerker, politieagent, monteur, productiemedewerker, planner, medwerkster kinder dagverblijf en brandweerman/vrouw
Schrijf op wat je leuk lijkt, wat je niet zo leuk lijkt an het beroep, en wat je dan verdient.
Maak daar een top-10 van. Watje het leukste vindt, staat bovenaan (op #1).
Opdracht 4. Welke beroepen vind jij leuk?
Zoek op internet naar banen waar je vmbi TL voor nodig hebt die je leuk lijken.
Wat vind je er leuk aan denk je, en wat niet zo leuk? Maak er dan een top-10 van. Je mag de banen die bij de vorige opdracht stonden er ook bij gebruiken.
Schrijf dit in je notitieboekje of bewaar het in een mapje op je computer. Leg uit waarom je dat beroep graag zou doen. Welk beroep staat bij jou op 1, welk op 2? Zet erachter waarom je die baan leuk vindt of juist niet.
Bijvoorbeeld: kok. Omdat ik dol ben op bakken en koken.
JE NETWERK
Je netwerk is de groep mensen die je kan helpen.
Bijvoorbeeld om je informatie te geven. Maar ook om je te helpen een goede baan te vinden. Denk aan je ouders, vrienden, familie, buren of mensen die zij weer kennen.
Wat heb je geleerd?
Deze les heb ik geleerd wat ik belangrijk vindt aan een baan.
De Challenge
Welk beroep past misschien wel goed bij jou? Zoek verder tot je 5 banen hebt gevonden die je leuk lijken. Wat trekt je aan bij dat beroep, en wat maakt dat je dat beroep niet leuk vindt. Bespreek dat in de volgende mentorles.
GA NAAR WWW.BEROEPENINBEELD. Daar vind je veel filmpjes over beroepen. Misschien zitten daar ook beroepen tussen war je niet aan hand gedacht. Praat hierover met je netwerk. Wat vinden zij dat bij jou past?
Misschien kom je nog op andere ideeën. Pas dan je beroepen aan in je notitieboekje.
Bespreek dit met je ouders.
Als ze goede banen noemen, schrijf die dan in je notitieboekje. Maak achter in een gedeelte ‘Banen en profielen’.
Les 2 Wie ben ik?
Hoe kom je erachter wie je bent? Als je dat weet, kun je kijken welk soort werk bij je past.
Na deze les weet je beter wie je bent.
TERUGKIJKEN
Heb je thuis besproken welke banen zij wel bij je vinden passen? Hoe ging dat? Hadden ze nog goede ideeën? Mocht je nog interessante banen horen, noteer die ook in je boekje.
Bekijk de video
- Zet eventueel interessante beroepen achter in je notitieboekje bij ‘Banen en profielen’.
Stap 2: vraag je af: wie ben ik?
De eerste les ging over je droombaan? Deze les gaat over wie je bent; waar je in gelooft, wat je passie is en welke karaktereigenschappen bezit je. Waaraan kan je dus zien wat voor type je bent? En welk beroep hoort daarbij?
Je kan ook veel over jezelf leren als je kijkt naar hoe je bent op school. Je klasgenoten hebben vast een idee wat voor type je bent.
Vragen die je misschien meehelpen een antwoord te geven op de vraag wie ben ik? Om een goede keuze te kunnen maken, is het wel handig als je weet wat je wil.
Opdracht 1. Wat vertellen je klasgenoten over je?
Maak groepjes van 4.
En vertel om de beurt iets over jezelf. Bedenk daarna zoveel mogelijk banen voor elkaar die daarbij passen. Wat goed bij jou past, zet dat achterin je boekje bij ‘Banen en beroepen’. Je mag deze informatie ook bewaren op je computer, in een mapje dat duidelijk maakt waar het over gaat.
Bijvoorbeeld ‘Banen en beroepen’. Op die manier kan je die informatie gemakkelijker terugvinden.
Opdracht 2. Hoe bereid je je voor?
Nu presenteer je je aan de hele klas. Dat doe je door de onderstaande vragen te beantwoorden. Schrijf je antwoorden in je notitieboekje of op je computer. In een mapje: ‘Wie ben ik?’
Vraag 1. Waar houd je van?
Bijvoorbeeld: ik houd van sporten, tekenen, televisiekijken, gamen.
- Zet dat voorin in je notitieboekje of op de computer
Vraag 2. Waar woon je? En met wie?
Bijvoorbeeld: ik woon in Almere, met mijn twee moeders, m’n zusje, drie honden, een poes en een goudvis. Nu jij!
Vraag 3. Wat zijn jouw beste karaktereigenschappen?
Als mensen van jou zeggen dat je altijd voor anderen klaar staat, noem je dat een karaktereigenschap.
Bijvoorbeeld: ik ben eerlijk, hulpvaardig, grappig, een volhouder, ijverig, lief, onhandig, etc.
Vraag 4. Wat doe je in je vrije tijd?
Maar ook wat je in je vrije tijd doet, zegt soms veel over je. Zit je op een sportclub? Doe je vrijwilligerswerk? Ben je “verslaafd” aan gamen? Of zit je de hele dag te vloggen? Wat zegt dat over wie jij bent?
Wat heb je geleerd?
Na deze les weet je beter wie je bent.
Challenge
- Bereid je voor op de presentatie van jezelf.
Schrijf dat op in je boekje en laat het aan je ouders lezen. Zijn ze het met je eens? Pas de tekst anders aan.
Les 3. Wat kan ik?
Het is ook belangrijk om te weten wat je
goed kan en wat je niet zo goed kan. Stel dat je heel graag autocoureur wil worden, maar je kunt niet zo goed autorijden…
Na deze les weet je beter wat je goed kan?
TERUGKIJKEN
Jullie zouden jezelf in deze les aan de klas presenteren. Probeer dingen te vertellen die je klasgenoten nog niet van je weten, maar die wel belangrijk voor je zijn. Je mag tussendoor bragen stellen.
Bekijk de video
- Noteer je ervaringen in je boekje of op je computer.
Wat doe je meestal na schooltijd of in het weekend? Hoe lang ben je daarmee bezig? Wat vind je daar zo leuk aan? En wat zegt dat over jou? Bespreek het eventueel met degene die naast je zit.
Stap 3. Vraag je af: waar ben ik goed in?
Om een profielkeuze te kunnen maken, is het ook belangrijk om van jezelf te weten waar je goed in bent. Stel dat je heel goed iets kan repareren, dan is Techniek misschien een goede profielkeuze.
Waar ben jij goed in? Dat kan je helpen om het juiste beroep te vinden. Bij welk beroep past dat? Of bij welk beroep juist niet?
Bijvoorbeeld: ik kan goed aardappels schillen, de tuin onderhouden, tegen kietelen, schilderen, dingen uitzoeken, spelletjes spelen, goochelen, etc.
Opdracht 1. Waar ben je goed in?
- Geef onderstaande werkwoorden een cijfer van 1 tm 10
10 is ‘daar ben ik heel goed in’. 1 is ‘daar ben ik totaal niet goed in.’ De laatste twee mag je zelf invullen (waar ben jij goed in?).
Ik ben (goed in)..
- Dingen repareren
- Dingen bedenken
- Op tijd zijn
- Met mijn handen werken
- Sporten
- Rekenen
- Gamen
- Koken
- ……………………… ……
- ……………………….……
Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?
- Vertel: wat doe je het liefste in je vrije tijd?
Noteer dat in je boekje of op je computer.
Wat is een woordnet?
Een woordnet kun je gebruiken om overzicht te krijgen.
Bijvoorbeeld: van alles wat iets over jou zegt. In het midden zet je jouw naam. Of ‘Ik ben’. Daarom heen (cirkel) zet je alle informatie.
Wat is passie?
Een passie is iets wat je met hart en ziel doet. Je doet (en laat) er alles voor.
Bijvoorbeeld: muziek maken, sporten, anderen helpen, vliegtuigen spotten, etc.
Opdracht 3. Heb jij een passie?
- Noteer in je boekje of op je computer wat jouw passie is.
Leg uit waarom het je passie is.
Wat zegt dat over jou?
Als je een passie hebt, zegt dat heel veel over jou. Dat je daar helemaal voor gaat. Je besteedt daar veel tijd aan. Het zou mooi zijn als bij jouw passie een baan past.
Bijvoorbeeld: wielrennen, schrijven, raadsels oplossen, kruiswoordpuzzels invullen, in de tuin werken, nieuwe dingen bedenken, vliegeren, schoonmaken, etc. Als je daar je baan van zou kunnen maken, zou dat erg leuk zijn toch?
Opdracht 4. Waar ben je trots op?
Vertel: wat heb jij gedaan waar je achteraf best trots op bent.
Bijvoorbeeld: ‘Je oma was in bad gevallen. Toen heb jij haar geholpen’, ‘Je hebt geld verdient met het verkopen van tulpen’, ‘Je pas telke weekend op je kleine zusje als je moeder moet werken’ of ‘Toen iemand in de klas gepest werd, kwam jij voor hem op’. En nu jij!
Leg uit waarom je daar trots op bent.
Maak hieronder jouw woordnet.
Verwerk de antwoorden bij de vorige 2 opdrachten in je woordnet. Bespreek het thuis met je ouders: vinden zij dat ook? En welke banen horen daar volgens hun bij.
- Neem een a-viertje.
- In het middelste vakje staat ‘IK BEN’
- In de eerste rij daar omheen (in een cirkel) zet je 4 vakjes waarin je schrijft waarin je goed bent.
- In de tweede cirkel daar omheen zet je 3 vakjes. Daarin schrijf je wat je in je vrije tijd doet.
Voorbeeld: passie: schrijven, acteren, wielrennen, etc. Bij ‘trots’: je hebt je oma geholpen toen ze ziek was, gesolliciteerd op een vakantiebaantje (je werd aangenomen), een 4 voor wiskunde opgehaald naar een 7, je bent opgekomen voor iemand die werd gepest.
|
Ik ben…
|
Bedenk: welke beroepen passen daarbij?
Schrijf die in je boekje achterin bij ‘Banen en profielen’.
Wat heb je geleerd?
Deze les leerde je meer over jezelf. Wat kan je goed? En wat heeft dat te maken met het beroep dat je straks gaat kiezen?
CHALLENGE
- Bespreek je woordnet de komende week met je ouders.
De volgende les komen we daarop terug.
Les 4. Wat wil ik?
Wat vind je leuk? Als je dat weet, kan je dat gebruiken bij het kiezen van een baan. Je zit tenslotte zo’n 40 uur in de week op je werk. Dan zou het heel vervelend zijn als je met tegenzin naar je werk gaat.
Feedback geven is tegen iemand zeggen wat je vindt van wat hij heeft gezegd of heeft gedaan. Doe dat zo dat de ander er iets aan heeft.
Na deze les weet je beter wat je leuk vindt aan een baan.
TERUGKIJKEN
De vorige les hebben we afgesproken dat jullie je woordnet zouden bespreken met je ouders. Wat is daar uitgekomen? Heb je daar nog iets aan gehad?
Vertel de klas wat je ouders daarover zeiden.
Heb je daar nog iets aan gehad?
Bekijk de video
- Noteer goede tips in je notitieboekje of op je computer.
Stap 4: vraag je af: wat vind ik leuk aan een baan?
Wat doe je allemaal op school? Leren, schrijven, meten, luisteren, praten, met je handen werken, gymen, pauzeren, eten, etc. Wat vind je daar leuk van? En wat vind je helemaal niet leuk?
Wat vind jij leuk? Wat doe je allemaal in je leven? Wat vind je daar leuk aan en wat niet? Als je moet kiezen tussen leuk en niet leuk, wat kies je dan? ‘Leuk’ natuurlijk! Maar wat nu als je iets moet doen wat je niet leuk vindt?
Opdracht 1. Wat vind je leuk of niet leuk op school?
- Noteer dat in je notitieboekje of op de computer
Je leven bestaat gelukkig niet alleen uit school. Wat doe je als je niet op school zit? Na schooltijd of in het weekend. Doe je aan sport, heb je een hobby, vind je gamen leuk of moet je klusjes doen in huis?
Opdracht 2. Wat doe je in je vrije tijd?
- Noteer dat in je notitieboekje of op de computer
Uiteindelijk ga je na het vmbo een vervolgopleiding doen. Of je gaat direct aan het werk. Wat vind je daarvan het leukste? Waarom vind je het één leuker dan het ander?
Opdracht 3. Heb je wel eens gewerkt?
- Wat vond of leek je daar leuk aan?
En wat juist niet? Schrijf dat op in je notitieboekje of op de computer.
Hoe zou jij het bijvoorbeeld vinden als je een uniform moest dragen (politie), je met je handen moet werken, je buiten moet werken, je elke dag hetzelfde moet doen of veel verdient.
Noteer in je notitieboekje of op de computer twee rijtjes: ‘Leuk’ en ‘Niet leuk’. Alles wat je leuk vindt, zet je onder ‘leuk’. Wat je niet leuk vindt, schrijf je onder ‘Niet leuk’. Bedenk zoveel mogelijk dingen.
Wat is een netwerk?
Een netwerk bestaat uit mensen die jou kunnen helpen bij het maken van een keuze. Of bij het krijgen van een baan die bij je past.
Opdracht 4. Wat wil je na je studie gaan doen?
- Ga met 4 klasgenoten zitten
Probeer je in te leven in je klasgenoten. Geef positieve feedback. Dat is informatie waar diegene iets aan heeft. En neem suggesties van je klasgenoten serieus.
Voorbeeld: ‘Misschien moet je iets met mensen gaan doen. De manier waarop jij vorige week die ruzie suste, vond ik een heel mooi voorbeeld. Je zei precies de juiste dingen.’
Je kunt natuurlijk ook een beroepentest doen. Of een LOB-taak.
Wat heb je geleerd?
Deze les heb je geleerd wat je leuk vindt.
CHALLENGE
Denk de komende week nog eens na over wat je bij een baan leuk zou vinden. En vooral wat je eigenlijk helemaal niet leuk vindt.
Zoek 5 banen uit.
Wat vind je niet leuk en waarom? Zet dat in je boekje. Bespreek het thuis.
EXTRA OPDRACHT
Denk na over de vraag: welk beroep past helemaal niet bij mij?
En waarom niet? Noteer dat in je boekje.
Les 5 Wat voor beroep past bij mij?
Als je dat allemaal weet, kun je kijken welke beroepen bij jou passen.
Na deze les weet je welke beroep goed bij je past.
TERUGKIJKEN
Julie zouden nadenken over de vraag: welk beroep of welke beroepen passen helemaal niet bij mij? En waarom niet.
Deel dat met de klas.
Wie heeft tips voor je? Noteer die in je notitieboekje of in een mapje op je computer.
Bijvoorbeeld: ‘Les 5. Banen’
Bekijk de video
Noteer goede tips in je boekje of op de computer.
Of gebruik de suggesties in dit hoofdstuk.
Stap 5. Bedenk welke baan je leuk vindt
Wat is een LOB-taak?
Om erachter te komen welk beroep goed bij je past, voer je LOB-taken uit. Dat zijn opdrachten waarin je praktijkervaringen opdoet en hierop reflecteert. Dat houdt in dat je (terug) kijkt of je het goed hebt gedaan, en of je het leuk vindt.
Bijvoorbeeld:
Bij LOB-taken, kun je denken aan een dag meelopen op het werk van je vader of moeder. Maar je kan ook een interview doen met iemand die jouw droombaan heeft. Of iemand die na deze school zijn droombaan heeft gekregen. Je kan ook een sollicitatiebrief schrijven voor de baan die je graag wil hebben, etc.
Wat is een portfolio?
Een portfolio is een map waarin je documenten verzameld. Dat kan een kartonnen map zijn, of een digitale map.
Opdracht 1. Welke banen lijken je leuk?
- Vorm groepjes van 4.
Bedenk samen zoveel mogelijk interessante banen. Bewaar die in je portfolio. Alles wat je op school hebt geleerd over je toekomst, stop je in je portfolio. Zo kom je er steeds meer achter wat echt goed bij je past.
Wat is een LOB-taak?
Door een LOB-taak kom je erachter:
• welk beroep je leuk vindt
• welke kanten van dat beroep niet zo leuk zijn
• wat je in je portfolio kunt stoppen
• op welke loopbaanvragen je nog meer antwoord wilt vinden.
De LOB-taken helpen je om een beroepskeuze te maken. Bijvoorbeeld door ervaring op te doen tijdens een stage. Of daar kennis over te verzamelen. Bijvoorbeeld door iemand te interviewen.
Opdracht 2. Over welk beroep zou jij wel iets meer willen weten?
- Bedenk welke praktijkopdracht je daarvoor kunt gebruiken.
Bespreek dat met je ouders en met je decaan.
Wat is een loopbaandossier?
Alles wat je hebt meegemaakt, en wat je waardevol vindt, bewaar je in je loopbaandossier. Dit kan een (foto)verslag zijn, een filmpje, collage, sollicitatiebrief etc. Zo kun je ‘bewijzen’ dat je je hebt verdiept in een beroepskeuze. Zie verder bijlage 2
Opdracht 3. Over welk beroep zou jij wel iets meer willen weten?
- Bedenk welke praktijkopdracht je daarvoor kunt gebruiken.
Bespreek dit met je decaan. Alles wat je daarover leert, bewaar je in je portfolio of Loopbaandossier.
Wat heb je geleerd?
Deze les leerde je hoe je erachter kan komen welk beroep goed bij jou past.
Challenge
- Bespreek dit met je ouders of andere mensen die je goed kennen.
Je hebt in de eerste 5 lessen veel beroepen of richtingen bedacht. Welke 5 beroepen passen het beste bij je? Maak daar een top-5 van. Noteer dat in je portfolio of je loopbaandossier.
Les 6. Welk profiel kies ik?
Een profiel leid je op voor een beroep (en eventueel een studie). Dus als je weet welke baan jij graag wilt, kun je kijken welk profiel daarbij past.
Na deze les weet je wat je moet doen om een goede profielkeuze te maken.
TERUGKIJKEN
De vorige les spraken we af dat jullie nog eens goed zouden kijken naar wat je later wil worden. Welke beroepen passen het beste bij je?
- Vertel de klas wat je wilt worden.
Leg ook uit waarom je denkt dat dat beroep goed bij je past. De rest van de klas geeft feedback. Bedenk samen beroepen (of een richting) waarvan jullie vinden dat die bij een bepaalde klasgenoot passen, of juist niet. En waarom?
Bekijk de video
Welke tips wil je onthouden?
Schrijf die op in je portfolio of in je Loopbaandossier.
Opdracht 1. Wat is jouw leerroute?
Welke studie(s) moet je nog volgen om uiteindelijk het beroep te krijgen waar jij gelukkig van wordt?
- Zoek uit welke studie(‘s) je kan doen na het vmbo. ls je voldoende weet van het beroep, kan je ook bepalen welk profiel daarbij hoort.
Opdracht 2. Uit welke beroepen kun je kiezen?
- Kies de 2 interessantste beroepen
Beoordeel beide beroepen. Bedenk wat de positieve en de negatieve kanten zijn van deze beroepen. Neem daarin ook de opleiding mee. Bijvoorbeeld 3 jaar studeren. Is dat een voordeel of een nadeel? Noteer dat in je portfolio en je looppbaandossier.
Welke positieve kant vind je zo belangrijk dat je sowieso voor dat beroep gaat? En welke negatieve kant vind je zo vervelend, dat je sowieso niet voor dat beroep zou kiezen?
Als je iets superbelangrijk vindt, houd daar dan aan vast. Ook als andere mensen iets anders zeggen.
Is het realistisch?
Realistisch betekent dat wat je graag wil ook echt kan. Stel: je wil dierenartsassistent worden, dan kan je dat op het vmbo leren. Maar wil je piloot worden en je hebt hele slechte ogen, dan is dat vrijwel onmogelijk.
Dromen is bedoeld om een richting aan te geven. Als je droombaan te hoog gegrepen is, ga dan eens kijken welke beroepen nog meer met dat beroep te maken hebben. Bijvoorbeeld: profvoetballer lukt niet, trainer misschien wel.
Na deze les weet je precies welke baan je graag zou krijgen.
Challenge
- Zoek samen met je ouders uit…
- Welk beroep staat op 1?
- Welk diploma haal je op deze school?
- Welke studie of studies moet je dan na deze school volgen?
- Welke eisen worden daaraan gesteld?
- Welk profiel hoort daarbij?
Stap 5. Bepaal: welk profiel past bij mij?
Natuurlijk wil je ook wel een salaris krijgen als je werkt. Vaak denken mensen dat je als vmbo-er niet zo veel kunt verdienen. Maar dat is lang niet altijd waar.
Hoeveel kun je verdienen met een MBO-diploma op zak? We zetten de acht bestbetaalde beroepen voor je op een rijtje.
- Vertegenwoordiger
Kun je goed ‘iets verkopen’ dan is vertegenwoordiger misschien iets voor jou. Je bezoekt klanten en laat producten zien die je bedrijf aanbiedt.
- Pedicure
Een pedicure verzorgt voeten. Dat kan zelfstandig (als zzp-er), of in een zorginstelling.
- Administrateur
Heb je iets met cijfertjes, rekenen en geld, dan is administrateur wellicht iets voor jou. Een administrateur houdt zich bezig met de boekhouding en/of administratie.
- Evenementenmanager
Kun je goed organiseren, dan zou evenementenmanager best wel iets voor jou kunnen zijn. Een evenementenmanager bereidt een evenement of grote bijeenkomst voor en zorgt dat alles goed loopt.
- Kraamverzorgster
Vind je baby’s leuk denk dan eens aan kraamverzorgster. Een kraamverzorgster helpt de vroedvrouw, en verzorgt moeder en kind.
- Kraanmachinist
Heb je geen last van hoogtevrees, dan is kraanmachinist misschien iets voor jou. Een kraanmachinist zorgt ervoor dat materialen op hun plaats komen. Ook in havens vind je kranen.
- Sportinstructeur
Houd je van sport en mensen gezond maken, denk dan eens aan sportinstructeur. Een sportinstructeur werkt bij een sportschool of een sportvereniging. Het is zijn taak sporters te begeleiden.
- Sociaalpedagogisch werker
Een sociaalpedagogisch werker helpt mensen bij het ordenen van hun administratie. Of bij problemen met het opvoeden van de kinderen.
Je kiest straks voor een profiel. Dat is een belangrijke keus. Maar weet dat 50% van alle mensen later een andere keuze maakt. Je kan altijd een andere keuze maken.
Opdracht 1. Wat is je favoriete baan?
- Bedenk wat je daar al van weet.
Wat vind je leuk en wat niet zo leuk? Pas eventueel je top-5 aan.
Wat houdt het beroep of de richting waar je aan denkt precies in. Wat doe je de hele dag? Wat is leuk, en wat niet zo leuk? En hoeveel kans is er dat je die baan ook echt krijgt?
Bijvoorbeeld: je dacht dat werken met bejaarden leuk was. Maar je wist niet welke ‘vieze’ dingen daarbij komen kijken, zoals wassen, verschonen, billen afvegen.
Opdracht 2. Hoe ziet een werkdag eruit?
Beschrijf een werkdag van het beroep dat bij jou op 1 staat.
Beantwoord onderstaande vragen. Noteer dit in je portfolio of je LOB-dossier. Als je geen antwoord op een vraag weet, bespreek het dan met degene die naast je zit. Of zoek het op.
Hoe laat begin je met werken? Hoe laat eindigt je werkdag? Hoeveel geld verdien je per maand? Wat doe je de hele dag? Hoe leuk vind je dat? Zijn er ook dingen die je niet leuk vindt? Welke? Hoe erg vind je dat je dat moet doen?
Ken je iemand die je kan helpen zo’n baan te krijgen? Welke vragen heb je dan? Ook niet onbelangrijk, heb je de juiste opleiding voor dat beroep?
Opdracht 1. Wat is je favoriete baan?
- Bedenk wat je daar al van weet.
Wat vind je leuk en wat niet zo leuk? Pas eventueel je top-5 aan.
Wat houdt het beroep of de richting waar je aan denkt precies in. Wat doe je de hele dag? Wat is leuk, en wat niet zo leuk? En hoeveel kans is er dat je die baan ook echt krijgt?
Bijvoorbeeld: je dacht dat werken met bejaarden leuk was. Maar je wist niet welke ‘vieze’ dingen daarbij komen kijken, zoals wassen, verschonen, billen afvegen.
Opdracht 2. Hoe ziet een werkdag eruit?
- Beschrijf een werkdag van het beroep dat bij jou op 1 staat. Beantwoord onderstaande vragen. Noteer dit in je portfolio of je LOB-dossier.
Als je geen antwoord op een vraag weet, bespreek het dan met degene die naast je zit. Of zoek het op.
Hoe laat begin je met werken? Hoe laat eindigt je werkdag? Hoeveel geld verdien je per maand? Wat doe je de hele dag? Hoe leuk vind je dat? Zijn er ook dingen die je niet leuk vindt? Welke? Hoe erg vind je dat je dat moet doen?
Ken je iemand die je kan helpen zo’n baan te krijgen? Welke vragen heb je dan? Ook niet onbelangrijk, heb je de juiste opleiding voor dat beroep?
Wat heb je geleerd?
Na deze les weet je precies welke baan je graag zou krijgen.
Challenge
- Zoek samen met je ouders uit…
- Welk beroep staat op 1?
- Welk diploma haal je op deze school?
- Welke studie of studies moet je dan na deze school volgen?
- Welke eisen worden daaraan gesteld?
- Welk profiel hoort daarbij?
Les 7. Welk vakkenpakket past daarbij?
Deze les kies je een vakkenpakket bij het profiel dat je hebt gekozen. Bij elk profiel kies je een vakkenpakket. Sommige vakken hoef je niet te kiezen, dat is al voor je gedaan. Andere vakken mag je wel kiezen. Hoe zit dat precies?
Na deze les weet je welke vakken bij dat profiel horen.
TERUGKIJKEN
De vorige week kregen jullie de opdracht om een definitieve profielkeuze te maken. Is dat gelukt? Wie wil daar iets over zeggen? Wie heeft zijn profiel nog niet gekozen? Welke vragen heb je daar nog bij?
Bekijk de video bij deze les
- Noteer goede tips in je notitieboekje
Een aantal scholen biedt keuzeprogramma’s aan die specifiek gericht zijn op doorstroom naar een MBO-opleiding. Dit zijn sport, dienstverlening, veiligheid, kunst & cultuur& cultuur en ICT. Informeer bij je mentor of decaan hoe dit bij jou op school geregeld is.46
Stap 6. Welke vakken krijg je in de derde klas?
Inhoudsopgave
Les 1. Waar droom je van?
Les 2. Wie ben ik?
Les 3. Waar ben ik goed in?
Les 4. Wat vind ik leuk?
Les 5. Wat beroep past bij mij?
Les 6. Welk profiel kies ik?
Les 7. Welk vakkenpakket past daarbij?
BIJLAGES
Terug naar hoofdpagina